ECLI:NL:RBZWB:2024:5037

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
C/02/424382 HA RK 24-130 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Van Kralingen
  • Zander
  • Leppens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van rechters wegens vermeende partijdigheid kennelijk ongegrond verklaard

Verzoeksters dienden een wrakingsverzoek in tegen drie rechters die belast waren met de behandeling van meerdere strafzaken. Zij stelden dat er een schijn van partijdigheid bestond omdat de rechters niet deskundig zouden zijn en onvoldoende voorbereid waren. Tijdens de zitting op 8 juli 2024 werd dit verzoek mondeling ingediend.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waarbij de onpartijdigheid van rechters wordt vermoed tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn van vooringenomenheid. De kamer concludeerde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om een objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid aan te nemen.

De enkele opmerking dat verzoeksters graag met een preliminair verweer wilden beginnen en het niet eens zijn met de regie van de rechters, rechtvaardigde geen wraking. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en werd de behandeling van de strafzaken voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.

De beslissing werd op 17 juli 2024 uitgesproken door de wrakingskamer en is onherroepelijk. Er is geen rechtsmiddel tegen deze beslissing mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is kennelijk ongegrond verklaard en de behandeling van de strafzaken wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/424382 HA RK 24-130
beslissing van 17 juli 2024 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker 1] BV
[verzoeker 2]
[verzoeker 3] BV
[verzoeker 4]
[verzoeker 5] BV
verder ook te noemen verzoeksters,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het volgende:
- De processtukken zoals opgenomen in de procesdossier met parketnummer
82/183849-21, 82/183848-21, 82/183847-21, 82/183846-21 en 82/183845-21;
  • het proces-verbaal van de zitting van 8 juli 2024 waar tijdens de zitting door verzoeksters een wrakingsverzoek is gedaan;
  • de drie e-mailberichten van 10 juli 2024 van Sterk, Verschueren en Pastoors, waarin zij kenbaar maken niet in het wrakingsverzoek te berusten.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Sterk, mr. Verschueren en mr. Pastoors (hierna: de rechters), belast met de behandeling in de zaken met parketnummer 82/183849-21, 82/183848-21, 82/183847-21, 82/183846-21 en 82/183845-21 op de gronden die verzoeksters hebben uiteengezet in hun wrakingsverzoek.
2.2.
De rechters berusten niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het verzoek

Door verzoeksters is, kort weergegeven, aangevoerd dat een schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechters bestaat doordat de rechters geen verstand van zaken hebben en niet goed zijn voorbereid.
Het wrakingsverzoek is als volgt opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 8 juli 2024:
“U zegt mij dat ten laste is gelegd dat niet is voldaan aan de deponeringsplicht en dat uw vraag is waarom het arrest de deponeringsplicht aantast. Er wordt langs elkaar heen gepraat. U wil er te snel doorheen en dat kan niet. Ik heb een preliminair verweer. Ik wraak uw kamer. Ik merk dat u er geen verstand van heeft en niet goed bent voorbereid. In mijn stukken staat heel duidelijk dat ik wil beginnen met een preliminair verweer.”
4. De beoordeling van het wrakingsverzoek
Beoordelingskader
4.1.
Op grond van artikel 512 Sv Pro kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeksters aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens hen een vooringenomenheid koesteren of dat de door verzoeksters geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de grond
4.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit de door verzoeksters aangevoerde wrakingsgronden, namelijk dat de rechters volgens verzoeksters niet (voldoende) zijn voorbereid en dat de rechters niet deskundig zijn, niet geconcludeerd kan worden dat de rechters ten aanzien van verzoeksters vooringenomen zijn of dat hun vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De enkele opmerking van de gemachtigde van verzoeksters dat hij graag wil starten met het preliminair verweer en dat daar (mogelijk) aan voorbij wordt gegaan, maakt niet dat de rechters vooringenomen zijn. Het is immers aan de rechters om regie te voeren tijdens de zitting. Dat verzoeksters het niet met deze wijze van regievoering eens zijn, mag zo zijn, maar daaruit volgt niet dat de rechters jegens verzoeksters een vooringenomenheid koesteren.
4.5.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoeksters vooringenomen zijn of dat hun vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
4.6.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
  • bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 82/183849-21, 82/183848-21, 82/183847-21, 82/183846-21 en 82/183845-21 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 17 juli 2024 door mr. Van Kralingen, mr. Zander en mr. Leppens, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.