ECLI:NL:RBZWB:2024:5038

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
384114 FA RK 21-1593
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:247 lid 1 BWArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk ouderlijk gezag en omgangsregeling in belang minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige kind en om een omgangsregeling vast te stellen. De Raad voor de Kinderbescherming bracht advies uit waarin werd gesteld dat het agressieve en onbetrouwbare gedrag van de vader een belemmering vormt voor samenwerking met de moeder en contactherstel met het kind. De vader werkte niet mee aan het raadsonderzoek, waardoor er onvoldoende zicht was op zijn opvoedkwaliteiten.

Tijdens de mondelinge behandeling trok de moeder haar verzoek tot omgang in en handhaafde zij haar standpunt tegen gezamenlijk gezag vanwege de ernstige communicatieproblemen en het geweldsincident tussen de ouders. De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is, omdat het risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders en er geen verwachting is van verbetering.

Ook het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling werd afgewezen. De vader heeft sinds juli 2022 geen structureel contact met de minderjarige en toont onvoldoende inzet en medewerking aan onderzoek en hulpverlening. Het contactherstel vraagt om zorgvuldige hulpverlening en voorwaarden die momenteel niet aanwezig zijn. De rechtbank concludeerde dat het vaststellen van contact op dit moment in strijd is met het zwaarwegende belang van de minderjarige.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling wordt afgewezen in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/384114 FA RK 21-1593
datum uitspraak: 11 juni 2024
nadere beschikking betreffende gezag en omgang
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende te [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. M.M.M. Minkels, advocaat te Tilburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw
,
wonende te [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. P.B.J. Dekker, advocaat te Tilburg,
betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen
[minderjarige].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 6 september 2023 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de Raad van 14 december 2023 met als bijlage het briefrapport van
14 december 2023;
- het e-mailbericht van mr. Dekker van 19 april 2024;
- de brieven van mr. Minkels van 10 januari 2024 en van 30 april 2024;
- de brief van mr. Dekker van 12 januari 2024 en de brief van 16 mei 2024 met bijlagen.
1.2.
De behandeling van de zaak is voortgezet tijdens de mondelinge behandeling op
21 mei 2024. Bij die gelegenheid zijn de advocaten van partijen verschenen. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. De vrouw heeft aan de mondelinge behandeling deelgenomen door middel van een online verbinding. De man was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij voornoemde beschikking van 6 september 2023 is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van gezamenlijk gezag over de [minderjarige] en naar de omgangsregeling. De zaak is aangehouden in afwachting van het rapport van de Raad.
2.2.
De rechtbank moet nog beslissen op de verzoeken van de man om partijen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen.
2.3.
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingetrokken. Dat verzoek behoeft daarom geen verdere bespreking meer.
Gezag
2.4.
De Raad adviseert in haar voornoemd rapport om het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over de minderjarige af te wijzen. Het agressieve (gewelddadige) en onbetrouwbare gedrag van vader is een grote belemmering voor het samenwerken met moeder en met de hulpverlening en is tevens een contra-indicatie voor het contactherstel met [minderjarige] . Voor gezamenlijk gezag is een minimale communicatie tussen ouders vereist zodat afspraken over de minderjarige gemaakt kunnen worden. Ook is nodig dat de ouder inzicht heeft in de ontwikkeling van het kind, en steeds handelt in het belang van het kind. Uit het onderzoek is gebleken dat het hieraan ontbreekt bij de man. Op de mondelinge behandeling handhaaft de Raad het advies onverkort.
2.5.
De man heeft na ontvangst van het rappoort van de Raad laten weten het niet eens te zijn met het raadsadvies en gevraagd om een nadere mondelinge behandeling. Namens de man is op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij vindt dat de Raad hem enkel verwijten maakt. Ten tijde van het onderzoek woonde de man samen en zijn partner was er niet mee akkoord dat de Raad een huisbezoek zou afleggen. Wat de man betreft is dat ook helemaal niet nodig. De Raad heeft volgens de man al voldoende zicht gekregen op zijn opvoedkwaliteiten omdat de Raad, vanwege een procedure over het contact met zijn zoon [naam] , daarnaar reeds onderzoek heeft gedaan. De man meent dat partijen zonder de druk van allerlei instanties in staat zijn om met elkaar te communiceren. De man handhaaft daarom zijn verzoek om partijen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.6.
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw herhaald het eens te zijn met het raadsadvies. Het is volgens de vrouw onmogelijk om met de man gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De man is hier niet toe in staat. Hij is er ook niet als vader voor [minderjarige] . De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord.
2.7.
Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.8.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat
de tussen de man en de vrouw bestaande communicatieproblemen zo ernstig zijn dat een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders indien zij gezamenlijk met het gezag zullen worden belast. Met de Raad heeft de rechtbank niet de verwachting dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het UHA-traject en hulpverlening door de DeGezinsManager is voortijdig gestopt en de slagingskans van een (nieuw) ouderschapsbemiddelingstraject gericht op constructieve samenwerking en communicatie op ouderniveau wordt door de Raad zeer laag ingeschat..
Tijdens het raadsonderzoek heeft zich een geweldsincident voorgedaan tussen ouders. De vrouw heeft aangifte gedaan van mishandeling door de man en de behandeling van de strafzaak bij de politierechter zal plaatsvinden op 5 juli 2024. De vrouw wenst nu iedere confrontatie met de man uit de weg te gaan. Voor gezamenlijk gezag is een minimale vorm van communicatie een vereiste en bij de vrouw is er nu geen enkel draagvlak aanwezig om gezamenlijk met de man in overleg te gaan teneinde beslissingen over de minderjarige te kunnen nemen. De rechtbank is van oordeel dat gezamenlijk gezag, in deze ook teveel zal vragen van de vrouw nu elk contact tussen partijen spanningen oproept en dit mogelijk ook een negatieve weerslag zal hebben op de minderjarige.
Blijkens artikel 1:247 lid Pro 1, BW houdt het ouderlijke gezag een aantal bevoegdheden
in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals de schoolkeuze en medische zaken) te nemen. Het is niet alleen de vraag of ouders dit samen kunnen, het is ook de vraag of vader daartoe in staat is. Tijdens de vorige zitting, op 4 september 2023 heeft de man verklaard akkoord te zijn met een onderzoek door de Raad en ook bereid te zijn om daaraan zijn medewerking te verlenen. De Raad heeft zich tot het uiterste ingespannen om met de man in gesprek te komen, maar de man heeft zich, in tegenstelling tot zijn toezegging, niet meewerkend opgesteld. Daardoor heeft de Raad geen zicht gekregen op het persoonlijk functioneren van de man en evenmin op zijn opvoedershandelen. De door de Raad geconstateerde contra-indicaties zouden kunnen worden weggenomen als de man zich meewerkend zou opstellen ten aanzien van de geadviseerde hulpverlening. De man heeft er evenwel geen blijk van gegeven die bereidheid te hebben. De rechtbank vindt het in dit verband ook veelzeggend dat de man niet aanwezig was bij de nadere mondelinge behandeling die nota bene op zijn verzoek heeft plaatsgevonden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de man voldoende belangstelling heeft voor zijn kind, bekend is of wil zijn met de ontwikkeling van de minderjarige en weet wat er in de minderjarige omgaat, hetgeen nodig is om invulling te kunnen geven aan het gezag. De man lijkt op dit moment geen rol van betekenis te (willen) spelen in het leven van de minderjarige. Daarom acht de rechtbank afwijzing van het verzoek ook in het belang van de minderjarige noodzakelijk.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat indien gezamenlijk gezag niet mogelijk is omdat niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, dit in beginsel niet kan worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen.
Omgangsregeling
2.9.
Op de mondelinge behandeling verzoekt de man een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , waarbij de man en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar eenmaal per week danwel eenmaal per twee weken op één dag van 11.00 uur tot na het eten. De man wil op die dag dan leuke dingen met haar gaan doen, samen met zijn andere kinderen. De man heeft nog steeds contact met zijn zoon [naam] , uit een andere relatie. In december 2023 heeft de man gedurende twee weken veel verbleven bij de vrouw en heeft hij daar contact gehad met [minderjarige] . [minderjarige] vond dat leuk en ook onlangs, toen hij [minderjarige] en de vrouw toevallig bij een bushalte zag, reageerde [minderjarige] positief op de man en zocht zij toenadering. De Raad heeft in het kader van de procedure in verband met het contact met zijn zoon [naam] onbegeleid contact met [naam] geadviseerd, hetgeen blijkt uit de door de man als productie 3 overgelegde beschikkingen van deze rechtbank van 5 juli 2019 en 19 maart 2020.
2.10.
De vrouw voert verweer. Zij betwist dat de man in december 2023 bij haar heeft verbleven en toen contact heeft gehad met [minderjarige] . Ook reageerde [minderjarige] niet positief, maar terughoudend en niet-begrijpend, op de ontmoeting met de man bij de bushalte.
2.11.
De raad adviseert om geen contact vast te stellen tussen de man en de minderjarige omdat dit op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Contra-indicaties voor contact tussen vader en [minderjarige] zijn de lange duur van het ontbreken van contact, het ontbreken van zicht op: de mogelijkheden van vader ten aanzien van contact; zijn persoonlijk functioneren, opvoedershandelen; zijn woon/leefsituatie. Gebleken is dat vader (verbaal) agressief kan zijn en geweld heeft gebruikt tegen moeder. Indien de man zich meewerkend opstelt ten aanzien van de door de raad geadviseerde hulpverlening (onder andere een persoonlijkheidsonderzoek) kunnen de contra-indicaties worden opgeheven. Ook bij [minderjarige] zal er op dat moment ruimte moeten zijn voor herstel van het contact met vader.
2.12.
De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 2.8 heeft de rechtbank onvoldoende zicht op de man gekregen, omdat de man niet heeft meegewerkt aan het raadsonderzoek. De man heeft bovendien geen informatie gegeven over zijn woon- en leefsituatie; niet tijdens het onderzoek door de Raad en evenmin tijdens de nadere mondelinge behandeling. De rechtbank stelt vast dat de man sinds juli 2022 geen structureel contact heeft met de minderjarige. Hij is dan ook al gedurende een langere periode verdwenen uit het leven van de minderjarige hoewel hij soms, onaangekondigd, voor haar verschijnt. [minderjarige] ontwikkelt zich inmiddels naar behoren hoewel er ook sprake is van een ontwikkelingsbedreiging omdat zij geen contact heeft met haar vader.
De man geeft aan dat hij graag contact wil met de minderjarige maar de rechtbank ziet bij hem niet de inzet die daarvoor benodigd is. De man weigert ieder medewerking aan onderzoek en hulpverlening en laat niets van zichzelf zien. Ook heeft de man niet laten zien een stabiele en betrouwbare factor in het leven van de minderjarige te kunnen zijn. Hij geeft geen openheid van zaken en komt niet naar de nadere mondelinge behandeling om vragen van de rechtbank te beantwoorden. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het opleggen van een contactregeling niet in het belang van de minderjarige. Contactherstel tussen de man en de minderjarige vraagt om hulpverlening die meekijkt bij alle betrokkenen – ouders én de minderjarige - en beoordeelt wanneer, hoe, onder welke voorwaarden en in welke vorm contact tussen de man en de minderjarige plaats kan vinden. De vrouw en de minderjarige moeten er daarbij op kunnen vertrouwen dat bij herstel van het contact dit contact uiteindelijk structureel zal zijn en dat de man zijn afspraken nakomt.
De verwijzing door de man naar een raadsrapport en een beschikking betreffende (zijn omgang met ) [naam] vormt naar het oordeel van de rechtbank geen valide argument op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat ook contact tussen de man en de [minderjarige] op dit moment verantwoord zou zijn. Niet alleen is de informatie in de beschikking gedateerd; het betreft bovendien een geheel andere minderjarige waarvan de situatie niet zonder meer met die van [minderjarige] valt te vergelijken.
Gelet op de hiervoor genoemde contra-indicaties acht de rechtbank contact met de man op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Deveneijns, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.