De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige kind en om een omgangsregeling vast te stellen. De Raad voor de Kinderbescherming bracht advies uit waarin werd gesteld dat het agressieve en onbetrouwbare gedrag van de vader een belemmering vormt voor samenwerking met de moeder en contactherstel met het kind. De vader werkte niet mee aan het raadsonderzoek, waardoor er onvoldoende zicht was op zijn opvoedkwaliteiten.
Tijdens de mondelinge behandeling trok de moeder haar verzoek tot omgang in en handhaafde zij haar standpunt tegen gezamenlijk gezag vanwege de ernstige communicatieproblemen en het geweldsincident tussen de ouders. De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is, omdat het risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders en er geen verwachting is van verbetering.
Ook het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling werd afgewezen. De vader heeft sinds juli 2022 geen structureel contact met de minderjarige en toont onvoldoende inzet en medewerking aan onderzoek en hulpverlening. Het contactherstel vraagt om zorgvuldige hulpverlening en voorwaarden die momenteel niet aanwezig zijn. De rechtbank concludeerde dat het vaststellen van contact op dit moment in strijd is met het zwaarwegende belang van de minderjarige.