Uitspraak
1.[eiser 1] B.V.
2. [eiser 2] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De gewezen werknemer was sinds 2002 in dienst bij de eiser en de arbeidsovereenkomst werd in 2022 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Na ontbinding startte de werknemer meerdere kansloze procedures tegen de werkgever en diens zusterondernemingen, die steeds werden afgewezen en onherroepelijk werden.
De werkgever vorderde een verbod voor de werknemer om verdere procedures te starten die verband houden met de arbeidsovereenkomst of eerdere rechterlijke beslissingen, en verzocht om machtigingen om handelingen van de werknemer ongedaan te maken, alsmede dwangmiddelen zoals lijfsdwang en dwangsommen.
De kantonrechter verwees de zaak naar de voorzieningenrechter voor handelszaken. De werknemer verscheen niet en verstek werd verleend. De voorzieningenrechter wees de machtiging en dwangmiddelen af, omdat de wet andere middelen kent tegen zinloos procederen en omdat de verwachting ontbrak dat lijfsdwang effect zou hebben. Het procedeerverbod werd tijdelijk toegestaan onder de voorwaarde dat de werkgever binnen vier weken een bodemprocedure start.
De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De gewezen werknemer wordt verboden om nieuwe procedures te starten die verband houden met de ontbonden arbeidsovereenkomst, onder voorwaarde van een bodemprocedure binnen vier weken.