Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslagen. Tijdens de zitting trok belanghebbende zijn bezwaren tegen de WOZ-waarde in, waarna het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ was geschonden door het niet verstrekken van bepaalde gegevens.
De rechtbank oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen waren dat relevante gegevens niet waren verstrekt en verklaarde het beroep ongegrond. Vervolgens behandelde de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn werd overschreden met ongeveer twee maanden, waarvoor een vergoeding van €50 werd toegekend.
Daarnaast werd belanghebbende een proceskostenvergoeding van €218,75 toegekend en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €50. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders op 25 juli 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.