Belanghebbende stelde beroep in tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €217.000 per 1 januari 2021 en de daarbij behorende aanslagen. Tijdens de zitting trok belanghebbende zijn bezwaren tegen de WOZ-waarde in, waardoor enkel de vraag overbleef of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ in de bezwaarfase was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat geen concrete aanwijzingen bestonden dat de heffingsambtenaar relevante gegevens achterhield die op verzoek van belanghebbende niet waren verstrekt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Vervolgens beoordeelde de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn werd overschreden met ongeveer twee maanden, waarvoor een vergoeding van €50 werd toegekend.
Daarnaast werd belanghebbende een proceskostenvergoeding van €218,75 toegekend en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €50. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. Broeders en griffier S.A.C. Deeleman op 25 juli 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.