Belanghebbende stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daaraan verbonden aanslagen. Tijdens de zitting trok belanghebbende zijn bezwaren tegen de WOZ-waarde in, zodat het geschil zich beperkte tot de vraag of de heffingsambtenaar artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ had geschonden door niet alle gevraagde gegevens te verstrekken.
De rechtbank oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen waren dat relevante gegevens niet waren verstrekt, zodat geen sprake was van een schending van artikel 40. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Vervolgens beoordeelde de rechtbank het verzoek van belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn werd vastgesteld op twee jaar, maar de procedure duurde langer. De rechtbank stelde vast dat de hoofdzaak eindigde op het moment dat het verweerschrift werd ontvangen, waarna belanghebbende zijn bezwaren introk. De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg afgerond twee maanden, waarvoor een vergoeding van € 50 werd toegekend.
Daarnaast werd belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 218,75 toegekend en werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. De vastgestelde WOZ-waarde en aanslagen blijven gehandhaafd.