Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
10 december 2021 heeft gepijpt. Volgens [slachtoffer 1] was dit niet vrijwillig. [slachtoffer 1] heeft echter wisselend verklaard over waar de dwang daartoe uit bestond. Tijdens haar laatste studioverhoor heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat werd gezegd: “kom, kom”, en dat zij naar verdachte werd geduwd. [slachtoffer 1] zegt zelf niet eenduidig dat er sprake was van psychisch overwicht. Op basis hiervan is de officier van justitie er niet van overtuigd dat [slachtoffer 1] werd gedwongen om verdachte en medeverdachte te pijpen. [slachtoffer 1] heeft ook wisselend verklaard over het tonen van een vuurwapen en heeft in haar laatste studioverhoor verklaard dat haar een vuurwapen werd getoond terwijl haar werd gezegd dat zij niks mocht zeggen. Het tonen van het vuurwapen was daarom niet gericht op het dwingen tot pijpen. De officier van justitie komt dan ook tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde verkrachting.
16 februari 2022 het slachtoffer zijn geworden van een straatroof. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren op die dag in het Spoorpark te Tilburg. In het Spoorpark kwamen zij verdachte en medeverdachte tegen. Zij zijn door hen gedwongen om naar het toiletgebouw aldaar te gaan en hebben onder bedreiging met een vuurwapen hun telefoons (met toegangscodes), een Louis Vuitton tasje en een Louis Vuitton muts moeten afgeven aan verdachte en medeverdachte.
16 februari 2022 en hebben gezien dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] spullen hebben afgegeven aan verdachte en medeverdachte.
met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, die de leeftijd van twaalf
jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
te weten het meermalen, brengen van hun penissen in de mond van
die [slachtoffer 1] en zich vervolgens te laten pijpen door die [slachtoffer 1] ;
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
- de aard en ernst van het/de bewezenverklaarde feit(en);
- de strafoplegging in soortgelijke zaken;
- het feit dat het inmiddels voor een jeugdzaak zeer oude feiten betreft en de redelijke termijn is geschonden;
- de tijd die verdachte op het politiebureau in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in deze zaken;
- aansluitend aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verdachte nog langdurig is geplaatst geweest binnen de gesloten jeugdhulp;
- de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake een zedendelict is veroordeeld.
- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 januari 2024;
- andere feiten en omstandigheden de persoon van verdachte betreffende.
9 januari 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor meerdere vermogensdelicten.
8 juli 2022, waaruit blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.
7.De vordering tot tenuitvoerlegging
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het in de zaak 02-070803-22 primair tenlastegelegde feit;
een jeugddetentie van 95 dagen;
een werkstraf van 240 uren;
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
120 dagen;