De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 juli 2024 het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige 1. Deze minderjarige verblijft sinds april 2024 bij zijn vader, nadat eerdere plaatsingen in crisispleeggezinnen en een jeugdhulpvoorziening vanwege gedragsproblemen niet effectief bleken. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor een jaar.
De GI motiveerde het verzoek met de positieve gedragsverandering van de minderjarige sinds zijn verblijf bij de vader, die een stabiele en structuurbiedende omgeving biedt. Tevens is een traject gestart bij een gespecialiseerde instelling gericht op gedragsregulatie, met ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de vader. De moeder stemde, ondanks aanvankelijke bezwaren, in met de verlenging en het huidige zorgtraject, waarbij een geleidelijke uitbreiding van het contact met haar wordt nagestreefd.
De rechtbank constateerde dat het verblijf bij de vader en het hulpverleningstraject goed verlopen en dat het belang van de minderjarige gediend is met voortzetting van deze situatie. Tevens werd het belang van het contact tussen de minderjarige en zijn broer onderstreept. De machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom verlengd tot 26 december 2024 en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.