Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
“De PO neemt het risico dat de beschikbaar gekomen perceel-hectares achteraf minder of ongeschikt blijken.”.
- Cluster vindt dat het weinig consumptiegrond krijgt (3,7 ha volgens eigen zeggen). De hoeveelheid consumptiegrond kan toenemen als het voorstel voor schuiven van grond in [perceel 1] , zoals gedaan in de zienswijze, wordt gevolgd.
- [perceel 6] : de zuidkant is zandplaat. Er blijft volgens het cluster een kleiner bruikbaar deel over dan aangegeven in het concept-plan.
- Cluster krijgt optimalisatie bij [perceel 7] , maar wil dat liever ruilen voor uitbreiding van [perceel 8] (betere opbrengsten). Dat is daar mogelijk.
- Optimalisatie van [perceel 10] zoals voorgesteld is volgens cluster niet bruikbaar.
- Cluster wil zuidkant [perceel 11] niet inleveren want dat is volgens cluster consumptiegrond. De noordkant kan wel worden ingeleverd.
- Cluster benadrukt tot slot dat het grootste probleem is dat het vindt dat het te weinig consumptiegrond krijgt. Deze optimalisatie is voor het cluster van levensbelang ("erop of eronder").
- Zie verder zienswijze.
[perceel 1] wordt vergroot van 3,7 ha. tot 4,6 ha.
Ingeven van [perceel 11] wordt verminderd van 8 ha. naar 2 ha.
[perceel 13] heeft een ander nummer gekregen, namelijk [perceel 14] (het blijft hetzelfde perceel)
“het visrecht, uitsluitend voor zover dit betreft het kweken van mosselen en het vissen van schelpdieren en zeesterren op de hierna genoemde mosselpercelen:
“Wij hebben geconstateerd dat dit perceel niet de toegekende 14,5 ha is. Aan de zuidzijde van het perceel is zeker ruim 4 ha hoge zandplaat waar niet Gekweekt kan worden. Dit is ook geconstateerd door VA[visserijkundig ambtenaar; toevoeging ktr.]
heer [naam 3] . Daarom vragen wij u om hier een oplossing voor te zoeken zodat we aan de toegekende 14,5 ha komen.”
3.Het geschil
“Na vaststelling zal het plan van toedeling door de PO worden aangeboden aan het Ministerie van Economische Zaken. Mits uitvoerbaar zal het Ministerie het plan van toedeling verwerken in nieuw op te stellen huurovereenkomsten.”
“ [perceel 6] is aan de zuidkant van het vak zandplaat en dus kleiner.”en
“ [perceel 6] : de zuidkant is zandplaat . Er blijft volgens het cluster een kleiner bruikbaar deel over dan aangegeven in het concept-plan.”). Dat betekent dat de CvT de staat en eigenschappen van het perceel [perceel 6] in haar afwegingen heeft kunnen betrekken en deze in het uiteindelijke plan van toedeling heeft kunnen verwerken. Dat dit er niet toe heeft geleid dat het perceel [perceel 6] is aangepast, zoals bij het perceel [perceel 1] (van 3,7 naar 4,6 ha) is gebeurd, maakt niet dat sprake is van een gebrek. Hetgeen uiteindelijk aan [eiser] (en [B.V. 2] ) is verhuurd wijkt immers niet af van hetgeen daarvan op grond van het plan van toedeling mocht worden verwacht. [eiser] kan zich tegenover de Staat dan ook niet op de aanwezigheid van een gebrek beroepen. Dat [eiser] geen beroep heeft ingesteld tegen het plan van toedeling en in de veronderstelling verkeerde dat later nog ‘een correctie’ zou kunnen plaatsvinden, is een omstandigheid die aan [eiser] zelf dient te worden toegerekend en maakt het voorgaande dus niet anders.