ECLI:NL:RBZWB:2024:518
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling dagloon voor WIA-uitkering door UWV
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn dagloon voor de WIA-uitkering is vastgesteld. Het geschil betreft de vraag of het UWV ten onrechte slechts een deel van de WW-uitkering heeft betrokken bij de berekening van het dagloon.
Het UWV had het dagloon vastgesteld op basis van een referteperiode van 7 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019, waarbij slechts vier dagen van de in oktober 2019 nabetaalde WW-uitkering van € 14.600,26 in aanmerking zijn genomen. Eiser stelde dat het volledige bedrag meegenomen had moeten worden, omdat de uitkering voortkomt uit arbeid binnen de referteperiode.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 13 van Pro de Wet WIA en artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit, bepalen dat het loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarover de werkgever opgave heeft gedaan. De nabetaling in oktober 2019 valt grotendeels buiten de referteperiode, en er is geen bewijs dat het resterende bedrag in de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar was.
Daarom is het besluit van het UWV dat slechts vier dagen van de WW-uitkering in het dagloon zijn betrokken, niet onredelijk. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser heeft geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn dagloon voor de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.