Belanghebbende beschikt over een parkeervergunning waarvoor maandelijks een factuur wordt verzonden. Voor de periode van 3 februari tot en met 2 maart 2023 is de factuur niet tijdig betaald. Op 3 februari 2023 is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat tijdens een controle werd vastgesteld dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Belanghebbende betwist dat de auto op de betreffende locatie stond en voert aan dat de naheffingsaanslag enkel is opgelegd vanwege het niet verlengen van de vergunning en dat er geen daadwerkelijke controle heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat de foto’s in het dossier aantonen dat de auto wel degelijk op de locatie stond en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd na een controle.
De rechtbank stelt vast dat de parkeervergunning niet van kracht was op de datum van parkeren omdat de betaling niet tijdig was ontvangen. Het niet ontvangen van een herinnering doet hier niet aan af, aangezien belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor tijdige betaling. Ook de stelling dat de bezwaaruitspraak door dezelfde ambtenaar is ondertekend die de naheffingsaanslag oplegde, wordt verworpen omdat dit niet expliciet blijkt en volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot nietigheid leidt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht omdat niet duidelijk is of belanghebbende de bewijsstukken van het parkeren heeft ontvangen. De rechtbank wijst proceskostenveroordeling af.