ECLI:NL:RBZWB:2024:530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
C/02/414635 / HA ZA 23-526 (T)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Eijssen-Vruwink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kamer voor kantonzaken wegens bevoegdheidskwestie

In deze civiele procedure vorderen eisers in de hoofdzaak een bepaalde prestatie van gedaagden, terwijl gedaagden verweer voeren en de vordering afwijzen. In een incident verzoeken eisers de zaak te verwijzen naar de kantonrechter, die volgens hen bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Gedaagden erkennen de bevoegdheid van de kantonrechter en stellen dat een proceskostenveroordeling achterwege kan blijven.

De rechtbank oordeelt dat de vordering onder artikel 93 onder Pro d Rv valt en derhalve door de kantonrechter behandeld moet worden, ongeacht de waarde van de vordering. Daarom wordt de zaak verwezen naar de kamer voor kantonzaken. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen en verwijst de zaak naar de rolzitting van de civiele kantonzaken. Partijen worden geïnformeerd dat zij niet hoeven te verschijnen en dat zij in het vervolg van de procedure ook zonder advocaat kunnen optreden. Tevens wordt het griffierecht verlaagd en het teveel betaalde bedrag teruggestort.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de kamer voor kantonzaken.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/414635 / HA ZA 23-526
Vonnis van 31 januari 2024
in de zaak van

1.[eiser in hoofdzaak] ,

wonende te [plaats 1] ,
2.
[eiseres in hoofdzaak],
wonende te [plaats 2] ,
eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen

1.[gedaagde in hoofdzaak 1] ,

wonende te [plaats 3] ,
2.
[gedaagde in hoofdzaak 2],
wonende te [plaats 4] ,
gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het incident,
advocaat mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.
Partijen zullen hierna [eisers in hoofdzaak] en [gedaagden in hoofdzaak] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 september 2023 met producties genummerd 1 tot en met 3;
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens houdende voorwaardelijke conclusie van antwoord van 29 november 2023;
  • de incidentele conclusie van antwoord van 12 december 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

In de hoofdzaak

2.1.
[eisers in hoofdzaak] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden in hoofdzaak] te veroordelen tot hetgeen als nader in de dagvaarding omschreven, met veroordeling van [gedaagden in hoofdzaak] in de proceskosten.
2.2.
[gedaagden in hoofdzaak] voeren (voorwaardelijk) verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling [eisers in hoofdzaak] in de proceskosten.
In het incident
2.3
[eiseressen in incident] verzoeken de zaak te verwijzen naar de kantonrechter nu deze bevoegd is van onderhavige vordering kennis te nemen. [eiseressen in incident] verzoeken [verweerders in incident] in de proceskosten van het incident te veroordelen.
2.4.
[verweerders in incident] erkennen dat de onderhavige vordering mede bij de kantonrechter kan worden voorgelegd. [verweerders in incident] concluderen voorts dat een proceskostenveroordeling ter zake van het incident achterwege kan blijven, omdat er geen sprake is van een kostenverhogend aspect aan de procedure als gevolg van deze doorzending.

3.De beoordeling

In het incident

3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft de vordering van [verweerders in incident] een onderwerp dat op grond van art. 93 onder Pro d Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
3.2.
Gelet op het geringe debat tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna bepaald.
In de hoofdzaak
3.3.
Gelet op de beoordeling in het incident zal de rechtbank onderhavige zaak verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, zoals in de beslissing nader weergegeven.

4.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
4.1.
wijst de vordering toe;
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
4.3.
verklaart zich onbevoegd van de vordering van [eisers in hoofdzaak] kennis te nemen;
4.4.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting team Civiel recht, Cluster I Civiele kantonzaken van deze rechtbank, locatie Breda, op
woensdag 7 februari 2024 om 10.00 uur;
4.5.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
4.6.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
4.7.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2024.