ECLI:NL:RBZWB:2024:531
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen in een portiekflat uit 1998 met een oppervlakte van 112 m², inclusief berging, parkeerplaats en balkon. De heffingsambtenaar stelde de waarde op 1 januari 2021 vast op €400.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2022 op. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €340.000 zou moeten zijn.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald door vergelijking met referentiewoningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Twee referentiewoningen werden buiten beschouwing gelaten wegens twijfel over openbare verkoop. De overige referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar qua ligging, bouwjaar en oppervlakte. De heffingsambtenaar maakte inzichtelijk hoe rekening werd gehouden met verschillen tussen de woningen, onder meer door correcties voor onderhoud en voorzieningen.
Belanghebbende voerde aan dat de onderhoudsfactor niet correct was toegepast, omdat de woning een hogere onderhoudsfactor kreeg dan de referentiewoningen in hetzelfde complex. De rechtbank oordeelde dat de onderhoudsfactor betrekking heeft op het individuele onderhoudsniveau van de woning, wat door foto’s werd bevestigd. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €400.000 blijft gehandhaafd.