Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag bpm en een verzuimboete opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelde de juistheid van de naheffingsaanslag, waarbij de inspecteur uitging van een hogere handelsinkoopwaarde en bruto bpm dan belanghebbende had aangegeven. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de bpm had vastgesteld op basis van een taxatierapport van Domeinen Roerende Zaken en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de handelsinkoopwaarde verder verlaagd moest worden wegens extra schade.
Belanghebbende voerde aan dat de CO2-uitstoot van de auto op basis van referentieauto’s met een lagere uitstoot moest worden vastgesteld, maar de rechtbank volgde de inspecteur en stelde vast dat de CO2-uitstoot als vast gegeven geldt volgens het kentekenregister. Er was geen sprake van fiscale discriminatie.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier maanden in de bezwaarprocedure en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe, waarvan de helft voor rekening van de inspecteur en de helft voor de Staat komt. Tevens werd proceskostenvergoeding toegekend voor de rechtsbijstand bij het ISV-verzoek. Het beroep werd verder ongegrond verklaard.