ECLI:NL:RBZWB:2024:5323

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
BRE 22/5773
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag bpm en verzoek om kostenvergoeding voor het opvragen van een certificaat van overeenstemming

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 juli 2024, wordt het beroep van belanghebbende, een B.V. gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 237, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank behandelt de zaak na een zitting op 12 juni 2024, waar zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur aanwezig waren. De rechtbank concludeert dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd, omdat de berekening van de bpm op basis van de CO2-uitstoot volgens de WLTP-meetmethode correct is. Belanghebbende had een auto gekocht die eerder in het buitenland was geregistreerd, en de inspecteur stelde dat de bpm op basis van de juiste CO2-uitstoot hoger zou zijn dan door belanghebbende aangegeven.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de kosten voor het opvragen van een certificaat van overeenstemming (cvo), maar de rechtbank wijst dit verzoek af. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur in beginsel mag uitgaan van de gegevens in het kentekenregister en dat belanghebbende niet tijdig heeft gereageerd op de kennisgeving van de inspecteur. Verder heeft belanghebbende ook een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met ongeveer vier maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 500 toe. De rechtbank wijst het beroep van belanghebbende ongegrond, maar kent wel een vergoeding van proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 november 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 237 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als waarnemer van de gemachtigde van belanghebbende [naam] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2]. Van hetgeen op de zitting is besproken, is een proces-verbaal opgemaakt waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd en of de inspecteur de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor het opvragen het Certificaat van overeenstemming (cvo) dient te vergoeden. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank laat de naheffingsaanslag in stand en wijst het verzoek om de kostenvergoeding voor het opvragen van het cvo af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 7 juli 2021 een gebruikte personenauto van het merk en type Peugeot 2008 1.2 PureTech GT-Line (hierna: de auto) gekocht voor € 23.300. De auto is voor het eerst op 24 juni 2020 in het buitenland toegelaten tot het verkeer op de weg.
3.1.
Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van de auto op 8 juli 2021 een aangifte bpm ingediend naar een te betalen bpm van € 1.664. De verschuldigde bpm is berekend met behulp van een taxatierapport van Waardetaxaties.nl (het rapport). Volgens de aangifte bedraagt de handelsinkoopwaarde, de historische nieuwprijs en historische bruto bpm van de auto respectievelijk € 11.830, € 34.930 en € 4.914. De taxateur heeft voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde tot uitgangspunt genomen de koerslijstwaarde van Eurotax € 18.358. Op dit bedrag heeft de taxateur een bedrag van € 6.528, inclusief € 2.000 aan schadeverleden, aan schade in mindering gebracht. Volgens de aangifte heeft de auto op basis van een CO2-uitstoot van 140 gr/km (gemeten op basis van WLTP).
3.2.
De RDW heeft op 13 juli 2021 de auto (met 16.946 km op de tellerstand) gekeurd en inzake de CO2 uitstoot vastgelegd dat deze volgens NEDC-meetmethode 140 bedraagt en volgens WLTP-meetmethode 152.
3.3.
De inspecteur heeft in zijn kennisgeving van 17 februari 2022 onder meer het volgende aan belanghebbende medegedeeld:
“U bent bij het berekenen van de bpm uitgegaan van het bpm-regime zoals dat geldt vanaf 1 juli 2020, de WLTP-meetmethode. Bij deze berekening heeft u een CO2-uitstoot gehanteerd van 140 gr/km. Zoals uit de gegevens van de RDW keuring blijkt betreft dit de uitstoot vastgesteld op basis van het bpm-regime vóór 1 juli 2020, de NEDC-meetmethode.
De RDW heeft voor deze auto de CO2-uitstoot volgens de WLTP-meetmethode vastgesteld op 152 gr/km. Als ik deze uitstoot in mijn berekening hanteer, bedraagt de verschuldigde bpm € 2.167.
De RDW heeft daarnaast de CO2-uitstoot volgens het bpm-regime voor 1 juli 2020, de NEDC-meetmethode, vastgesteld op 140 gr/km. Bij toepassing van deze uitstoot bedraagt de verschuldigde bpm € 2.966.
Omdat de berekening op basis van de WLTP-meetmethode in dit geval het gunstigst is voor u, ben ik van plan de C02-uitstoot vast te stellen op 152 gr/km volgens de WLTP-meetmethode.
U bent meer bpm verschuldigd.”
De inspecteur heeft de verschuldigde bpm, rekening houdend met de extra leeftijdskorting van € 266, berekend op € 237 (dus € 2.167 minus € 1.664 minus € 266).
Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen 3 weken op deze kennisgeving te reageren.
3.4.
De inspecteur heeft bij brief van 2 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat, gelet op de omstandigheid dat niet binnen de gestelde termijn van 3 weken is gereageerd, een naheffingsaanslag bpm van € 237 zal worden opgelegd.

Overwegingen

CO2-uitstoot
4. Belanghebbende heeft in beroep een duplicaat van het cvo ingebracht. Daaruit blijkt dat de CO2-uitstoot van de auto op basis van de WLTP-meetmethode 140 gr/km is. Tussen partijen is daarom niet meer in geschil dat de historische bruto bpm van de auto € 4.914 is.
Interne compensatie
4.1.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Belanghebbende is een autohandelaar en heeft de auto ingekocht voor € 23.300. Voor een goede bedrijfsvoering zal belanghebbende immers niet te veel voor een auto willen betalen (belanghebbende houdt bij aankoop van een auto al rekening met de kosten van herstel welke eventueel zouden moeten plaatsvinden) zodat verondersteld kan worden dat de handelsinkoopwaarde niet veel zal afwijken van de door belanghebbende betaalde prijs. De handelsinkoopwaarde uit de aangifte bpm van € 11.830, is om die reden al volgens de inspecteur niet juist.
In de uitspraak op bezwaar is ook opgemerkt dat op de factuur van de auto niet staat vermeld dat de auto een schadeverleden heeft. De waardevermindering van € 2.000 is daarom niet aannemelijk gemaakt. Ook de gecalculeerde schade wordt betwist. Het taxatierapport van belanghebbende is onbetrouwbaar. De schade blijkt niet uit de foto's. Aanvullend bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van reparatiefacturen, is niet overgelegd. Uitgaande van een handelswaarde van de auto, zoals die uit koerslijst van Eurotax volgt, van € 18.358 is de naheffingsaanslag niet te hoog.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een waardevermindering wegens schade(verleden) aan de auto van € 6.528. De inspecteur heeft al bij uitspraak op bezwaar de door belanghebbende in aanmerking genomen schade betwist. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank geen nader bewijs ingebracht dat ten tijde van het doen van de aangifte bpm sprake is geweest van schade aan de auto die een waardevermindering op de koerslijstwaarde rechtvaardigt. De rechtbank acht de gestelde schade niet aannemelijk gemaakt.
4.3.
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, slaag het beroep van de inspecteur op interne compensatie. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand.
Kostenvergoeding opvragen cvo
4.4.
Belanghebbende heeft in beroep verzocht om de inspecteur te veroordelen tot het betalen van de kosten voor het opvragen van het cvo (€ 243,90). De rechtbank overweegt dat de inspecteur in beginsel mag uitgaan van de in het kentekenregister vermelde uitstoot van de auto. Bij de aanslagregeling is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om op de kennisgeving te reageren, maar heeft dat niet gedaan. Pas in beroep heeft belanghebbende het cvo ingebracht. De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende af om de inspecteur te veroordelen in de kosten die zijn gemoeid met het opvragen van het cvo.
Immateriëleschadevergoeding (ISV)
4.5.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van ISV vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 9 juni 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 31 juli 2024. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 4 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt alle ISV voor rekening van de inspecteur.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een ISV van € 500.
5.1.
Omdat het verzoek om ISV wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en wegingsfactor 0,25 [1] , wat neerkomt op € 218,75. De inspecteur dient die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om ISV is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [2] en de rechtbank daar onvoldoende aanleiding voor ziet.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 31 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
2.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.