Betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op een rotonde in Breda op 19 augustus 2022. Tegen deze boete is beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens is beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 7 juni 2024 verschenen betrokkene en zijn gemachtigde niet. De officier van justitie werd vertegenwoordigd door mr. I.M.E. van der Meijden. De gemachtigde voerde aan dat de gedraging niet was verricht en dat de verbalisant niet duidelijk had vastgesteld dat betrokkene het apparaat vasthield. Tevens werd aangevoerd dat betrokkene tijdens de staandehouding verklaarde niet aan het bellen te zijn geweest.
De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaringen van twee verschillende verbalisanten voldoende blijkt dat betrokkene het apparaat vasthield tegen zijn oor. De verklaring van de verbalisanten biedt in zaken op grond van de Wahv in beginsel voldoende grondslag, tenzij specifieke feiten twijfel rechtvaardigen, wat hier niet het geval was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.