Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van meerdere recreatiewoningen op grond van de Wet WOZ, met betrekking tot de aanslagen OZB voor de jaren 2021 en 2023. De heffingsambtenaar had enkele bezwaren gegrond verklaard, waardoor waardeverminderingen plaatsvonden, maar de meeste beroepen werden door de rechtbank afgewezen.
De rechtbank heeft de waardebepalingen getoetst aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentieobjecten zijn gebruikt die voldoende vergelijkbaar zijn geacht. Verschillen in onderhoud, ligging, bestemming en andere factoren zijn door de heffingsambtenaar in de waarderingsmatrices verwerkt en toegelicht. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarden niet te hoog heeft vastgesteld en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarden verlaagd moeten worden.
Daarnaast heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. De rechtbank constateert een overschrijding van circa 16 maanden en kent een vergoeding toe van €150. Ook wordt het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.
De beroepen worden ongegrond verklaard, de WOZ-waarden en aanslagen blijven gehandhaafd, maar de schadevergoeding en griffierecht worden toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter M.Z.B. Sterk op 23 juli 2024.