Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €475.000 per 1 januari 2022. Tegelijkertijd werd de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd. De heffingsambtenaar had belanghebbende om informatie gevraagd, maar deze verstrekte die niet, waarna een informatiebeschikking werd gegeven. De rechtbank beoordeelde het beroep op 4 juli 2024, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde afwezig waren.
De kern van het geschil betrof de vraag of de waarde van de woning te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde een lagere waarde van maximaal €435.000, maar leverde geen concrete onderbouwing. Door het niet verstrekken van informatie is de bewijslast verschoven en verzwaard naar belanghebbende, die onvoldoende bewijs aanvoerde om de waardebeschikking te weerleggen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB terecht zijn vastgesteld en handhaafde deze. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter W. Toekoen en griffier S. Garb op 5 augustus 2024.