Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2024 in de zaak tussen
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [verzoeker], bewindvoerder
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 augustus 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, een voorlopige voorziening vroeg tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot ambtshalve wijziging van zijn adres in de Basisregistratie Personen.
Verzoeker stelde dat door de adreswijziging de bijstandsuitkering van een derde persoon werd beëindigd, waardoor hij financieel in de knel zou komen omdat hij de vaste lasten van beiden niet kan dragen. Het college betoogde dat de financiële gevolgen niet voortvloeien uit de adreswijziging maar uit een besluit op grond van de Participatiewet.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een acute financiële noodsituatie die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoeker kan zijn vaste lasten voorlopig betalen en beschikt over een banksaldo van ruim €6.300. Ook was reeds geoordeeld dat de derde persoon niet in financiële nood verkeert. Daarom kan van verzoeker worden verlangd de bezwaarprocedure af te wachten.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en gaf geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de adreswijziging. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ambtshalve adreswijziging is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.