Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een plaats bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen op het Kasteelplein te Breda op 26 oktober 2022. Betrokkene stelde dat zij op een normale parkeerplek had geparkeerd en geen signalen had gezien dat parkeren daar verboden was. De officier van justitie handhaafde de boete omdat er een parkeerverbodsbord stond en er geen sprake was van laden of lossen.
Op de zitting van 7 juni 2024 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd vastgesteld dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, voldoende vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant. Betrokkene kon geen feiten aanvoeren die de juistheid van deze verklaring in twijfel trokken.
Wel werd geoordeeld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door betrokkene niet te horen alvorens het beroep ongegrond te verklaren. Dit leidt volgens vaste rechtspraak tot vernietiging van die beslissing. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en matigde de boete met 25%. Het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling moet worden terugbetaald.