ECLI:NL:RBZWB:2024:5468
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Luijks
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voortzetting huurovereenkomst na overlijden moeder wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft de vraag of de zoon van een overleden huurder de huurovereenkomst van diens woning mag voortzetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De zoon stelde dat hij sinds januari 2023 zijn hoofdverblijf had in de woning en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn moeder, waarbij zij samen leefden en huishoudelijke taken deelden. De verhuurder, Stichting Woningmaatschappij Vlissingen (SWV), betwistte dit en stelde dat de zoon onvoldoende waarborg bood en zonder recht of titel in de woning verbleef.
De kantonrechter oordeelde dat de zoon zijn hoofdverblijf in de woning aannemelijk had gemaakt, maar onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had aangevoerd om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. De financiële bijdragen waren niet overtuigend onderbouwd en de samenwoning was niet wederkerig maar vooral gericht op zorg voor de moeder. Daarnaast was de duur van de samenwoning slechts een halfjaar, wat onvoldoende is voor duurzaamheid.
Gelet op het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding voldoet de zoon niet aan de vereisten om de huur voort te zetten. De vordering werd daarom afgewezen. De kantonrechter veroordeelde de zoon tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen na aanschrijving van de deurwaarder na onherroepelijkheid van het vonnis en tot betaling van een gebruikersvergoeding en proceskosten. De vordering tot ontruiming kon niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat de verhuurder moet wachten tot het vonnis onherroepelijk is.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding; de eiser wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.