Eiser diende op 20 maart 2024 een aanvraag in bij de minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister ontving deze aanvraag op 21 maart 2024 en had volgens de wettelijke termijn van vier weken tot uiterlijk 2 mei 2024 om te beslissen. De minister verlengde de beslistermijn eenmaal met twee weken. Nadat de minister niet binnen de gestelde termijn had beslist, stelde eiser de minister op 31 mei 2024 in gebreke.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van vier weken op waarbinnen de minister alsnog moet beslissen, rekening houdend met de omvang van de gevraagde informatie, vakantieperiodes en de complexiteit van de zaak. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
De minister wordt tevens verplicht het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 15 augustus 2024. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.