ECLI:NL:RBZWB:2024:5552

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 augustus 2024
Publicatiedatum
13 augustus 2024
Zaaknummer
24/5491
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WooArt. 4.4 WooArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen gestelde termijn beslissen op Woo-aanvraag en dwangsom betalen

Eiser diende op 20 maart 2024 een aanvraag in bij de minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister had volgens artikel 4.4 Woo vier weken de tijd om een besluit te nemen, met een eenmalige verlenging van twee weken. De uiterste beslisdatum was daarmee 1 mei 2024. Omdat de minister niet binnen deze termijn besliste, stelde eiser de minister op 31 mei 2024 in gebreke en startte vervolgens een beroep bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de minister nog steeds geen besluit heeft genomen. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn op tot uiterlijk 16 september 2024, gelet op de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming waarbij belangen van derden zijn betrokken en hun zienswijzen worden verwerkt.

Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom opgelegd van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Ook moet de minister het griffierecht van €187 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 15 augustus 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De minister moet uiterlijk 16 september 2024 beslissen en betaalt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2024 in de zaak tussen

mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 20 maart 2024 als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 20 maart 2024. De minister moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. [2] Dat staat in artikel 4.4 van de Wet open overheid. De minister heeft per e-mail van 10 april 2024 de beslistermijn met twee weken verdaagd. De minister had dus uiterlijk op 1 mei 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de minister op 31 mei 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De minister heeft uitgelegd dat hij deze tijd nodig heeft omdat het verzoek van eiser gaat om vertrouwelijk informatie uit documenten waarbij belangen van derden zijn betrokken. Deze derden zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Deze zienswijze worden nu verwerkt. De minister voorziet dat het gevraagde besluit op het Woo-verzoek op 16 september 2024 genomen wordt.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat de minister tot uiterlijk 16 september 2024 de tijd krijgt het besluit te nemen.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op uiterlijk 16 september 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.G.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.A. Vissers-van Es griffier, op 15 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel artikel 4.4 van de Wet open overheid