De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van een minderjarige geboren in 2018. Partijen, de vader en moeder, oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De minderjarige verbleef feitelijk bij de moeder, wat ook door partijen werd ondersteund. De Raad voor de Kinderbescherming voerde een uitgebreid onderzoek uit en adviseerde de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen en het verzoek tot zorgregeling aan te houden in afwachting van een ondertoezichtstelling.
De voorlopige zorgregeling werd aangepast: de vader mag de minderjarige wekelijks op donderdag ophalen en terugbrengen, en vanaf 10 augustus 2024 wordt het contact uitgebreid met een weekenddag per veertien dagen op zaterdag. Dit contact vindt plaats onder toezicht van de gecertificeerde instelling, die ook de uitvoering van de ondertoezichtstelling monitort. De rechtbank benadrukte het belang van onbelast contact en het stoppen van negatieve communicatie tussen partijen.
De definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden tot 27 mei 2025, afhankelijk van een rapportage van de gecertificeerde instelling over het verloop van de ondertoezichtstelling en de hulpverlening. Partijen krijgen daarna de gelegenheid om te reageren op het verslag. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de griffier zal een afschrift toezenden aan de gecertificeerde instelling.