Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het rijden met 4 km per uur te hard op een weg buiten de bebouwde kom op 5 januari 2023. Betrokkene stelde dat het voertuig ten tijde van de overtreding was verhuurd en hij daarom niet verantwoordelijk was voor de boete. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 2 juli 2024 verscheen alleen de vertegenwoordiger van de officier van justitie; betrokkene was afwezig. De kantonrechter oordeelde dat uit de stukken, met name de verklaring van de verbalisant, vaststaat dat de overtreding is begaan. Betrokkene heeft nagelaten een huurovereenkomst te overleggen die het gebruik van het voertuig door een ander aantoont, zoals vereist op grond van artikel 8 Wahv Pro.
Daarom is onvoldoende komen vast te staan dat een uitzondering op de kentekenhoudersaansprakelijkheid van toepassing is. De boete is terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard. Ook matiging van de boete wordt afgewezen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.