ECLI:NL:RBZWB:2024:5759
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing omgevingsvergunning voor berging wegens strijd bestemmingsplan en onuitvoerbaarheid
Eisers zijn sinds 2017 eigenaar van een perceel met daarop een houten berging en platform. In 2023 vervingen zij de berging en het platform, uitgaande van vergunningsvrijheid, maar het college stelde dat een vergunning vereist is. Eisers vroegen vervolgens een legaliserende omgevingsvergunning aan, die het college op 18 juli 2023 weigerde. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit op 29 februari 2024.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van het voor 1 januari 2024 geldende recht. Het perceel is bestemd voor seizoenrecreatie, waarbij per standplaats slechts één bijgebouw van maximaal 10 m² is toegestaan. Het college erkende dat het perceel als standplaats kan worden aangemerkt, maar stelde dat er al een boothuis van 17 m² aanwezig is, waardoor de berging een tweede bijgebouw vormt en in strijd is met het bestemmingsplan.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het platform waarop de berging is gebouwd een vergunningplichtige vlonder is die te groot is en niet gelegaliseerd kan worden. Eisers betoogden dat het een terras betreft, maar dit werd verworpen omdat het platform voldoet aan de definitie van een vlonder. Het college weigerde medewerking aan een afwijking van de planregels. Ook het belang van natuurbehoud werd door het college zwaarder gewogen dan het individuele belang van eisers.
De rechtbank concludeerde dat het college terecht de vergunning heeft geweigerd en dat het besluit niet in strijd is met het recht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanvraag omgevingsvergunning afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan en onuitvoerbaarheid.