Belanghebbende is eigenaar van een horecapand te Breda waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2022 is vastgesteld op €345.000 door de heffingsambtenaar. Deze waarde is gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de huurwaarde is afgeleid van vergelijkbare objecten en een kapitalisatiefactor van 10,4 is gehanteerd.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met de gevolgen van de coronapandemie. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt met een deskundig waarderapport en dat de gehanteerde huurwaarden en kapitalisatiefactor voldoende onderbouwd zijn. De coronacorrectie is toegepast en de gevolgen daarvan zijn verwerkt in de vergelijkingsobjecten.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Wel wordt belanghebbende een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van circa vijf maanden, vastgesteld op €50, verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden. Daarnaast worden proceskosten vergoed. De zitting vond plaats op 23 juli 2024 en het vonnis is gewezen op 21 augustus 2024.