ECLI:NL:RBZWB:2024:5787
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag OZB
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te een plaats, vastgesteld op €433.000 per 1 januari 2022. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) en watersysteemheffing gebouwd. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank behandelde het beroep op 23 juli 2024.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode met referentiewoningen. Belanghebbende stelde een lagere waarde van maximaal €399.000 voor, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en taxatierapport, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en qua bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen, zoals dakterrassen, carports, dakkapellen en dakopbouwen. De stellingen van belanghebbende waren onvoldoende concreet of onderbouwd om de vastgestelde waarde te verlagen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €433.000 gehandhaafd.