Stichting Zeeuwland verhuurt sinds 2000 een woning aan de moeder van de huurder, die de huurovereenkomst in 2022 heeft overgenomen. Na het instellen van beschermingsbewind wegens lichamelijke en geestelijke toestand van de huurder, trad een bewindvoerder op. In januari 2024 werd de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming voorwaardelijk toegewezen vanwege huurachterstand, maar de overlast en verwaarlozing werden toen onvoldoende onderbouwd.
Ondanks moratorium en verlenging van de huurovereenkomst ontstond een onhoudbare situatie door ernstige verwaarlozing van de woning en tuin en overlast voor omwonenden, waaronder geluidsoverlast, stank en vermoedens van drugsgerelateerde problematiek. Zeeuwland ontving vele meldingen en deed diverse pogingen tot contact en hulpverlening.
De kantonrechter oordeelt dat het belang van Zeeuwland bij ontruiming zwaarder weegt dan het belang van de huurder, ook gezien diens kwetsbare positie. De gevorderde ontruimingstermijn van 14 dagen is te kort; een termijn van zes weken wordt vastgesteld om een structurele oplossing te vinden. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten worden aan de huurder opgelegd.