Verzoekster trad op 8 februari 2024 in dienst bij verweerster met een arbeidsovereenkomst voor zes maanden. Partijen spraken een proeftijd van één maand af. Verweerster zegde de overeenkomst op 20 februari 2024 op met een beroep op de proeftijd. Verzoekster betwistte de geldigheid van het proeftijdbeding omdat de overeenkomst volgens haar zes maanden duurde en niet zes maanden en één dag.
De kantonrechter stelde vast dat partijen een arbeidsovereenkomst van zes maanden zijn overeengekomen, mede op basis van de tekst van de overeenkomst en de verklaringen tijdens het sollicitatiegesprek. Omdat een proeftijd niet is toegestaan bij een contract van zes maanden of korter, is het proeftijdbeding nietig. De opzegging met onmiddellijke ingang was daarmee onrechtmatig.
Verweerster is veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding over de periode van 20 februari tot 1 april 2024, de wettelijke transitievergoeding minus reeds betaalde bedragen, en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is verweerster veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek tot uitbetaling van vakantie-uren is afgewezen.