Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] BV, uit [plaats] , belanghebbende
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
verbod van reformatio in peius).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwistte de hoogte van de kostenvergoeding voor een taxatierapport die de heffingsambtenaar had toegekend in het kader van een bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onbemand tankstation. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 652.000, later verlaagd naar € 576.000 na bezwaar, en een kostenvergoeding van € 400 toegekend voor het taxatierapport.
Belanghebbende vorderde een hogere vergoeding van € 692,20, gebaseerd op een uurtarief van € 130 exclusief omzetbelasting, met het argument dat het object incourant is en specialistische kennis vereist. De rechtbank oordeelde dat het toegekende tarief van € 100 per uur reeds hoger is dan het standaardtarief voor courante niet-woningen en dat de complexiteit van de taxatie onvoldoende was onderbouwd voor een hoger tarief. Ook ontbrak een factuur ter onderbouwing van hogere kosten.
De rechtbank constateerde een schending van het motiveringsbeginsel omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet had toegelicht waarom het gevraagde bedrag werd afgewezen, maar pas in de beroepsfase een motivering gaf. Dit leidde tot de beslissing dat het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet worden vergoed. Het beroep werd verder ongegrond verklaard, waardoor de oorspronkelijke kostenvergoeding van € 400 blijft staan.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht van € 365 wordt aan belanghebbende vergoed.