Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 20 augustus 2022. Hij stelde beroep in tegen deze boete, stellende dat hij geen telefoon vasthad en dat het boetebedrag te hoog was gezien zijn financiële situatie. Tevens gaf hij aan dat zijn bedrijfswagen in beslag was genomen, waardoor hij als zzp’er geen inkomsten had.
De officier van justitie verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Betrokkene voerde aan dat hij door corona niet tijdig kon reageren, maar dit werd niet voldoende onderbouwd. De kantonrechter stelde vast dat de termijn van zes weken voor het instellen van beroep was overschreden en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit konden rechtvaardigen.
Hoewel betrokkene de zekerheidstelling niet kon betalen, werd hem het voordeel van de twijfel gegeven en werd de zekerheid op nihil gesteld. De kantonrechter oordeelde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor werd niet inhoudelijk op de boete zelf ingegaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard wegens te late indiening.