Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
2.Het verzoek
onderhavigverzoek.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënt voor zes maanden op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). Cliënt, geboren in 1947, verblijft momenteel in een zorgaccommodatie en wordt vertegenwoordigd door een advocaat. Het verzoek werd gelijktijdig behandeld met een verzoek tot voortzetting van inbewaringstelling.
Cliënt ontkende tijdens de mondelinge behandeling dat zij een dementie of psychogeriatrische aandoening heeft en wilde graag naar huis terugkeren. De specialist ouderengeneeskunde constateerde een uitgebreide neurocognitieve stoornis met een dementieel beeld, vermoedelijk Alzheimer, maar zonder definitieve diagnose. De mentor benadrukte de noodzaak van goede zorg, die thuis niet aanwezig is. De advocaat voerde aan dat de diagnose onduidelijk is en dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor toewijzing.
De rechtbank oordeelde dat hoewel neurocognitieve stoornissen duidelijk zijn, onvoldoende is vastgesteld dat cliënt een psychogeriatrische aandoening heeft zoals vereist voor een machtiging op grond van artikel 24 Wzd Pro. Ook was onduidelijk of een beroep op lid 4 van dat artikel werd gedaan. Daarom werd het verzoek afgewezen. Wel werd in een parallelle procedure de voortzetting van de inbewaringstelling toegewezen op basis van een vermoeden van stoornis, zodat gedurende die periode meer duidelijkheid kan ontstaan. Het CIZ kan later een nieuw verzoek indienen met betere onderbouwing.
Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van een psychogeriatrische aandoening.