ECLI:NL:RBZWB:2024:5989

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 augustus 2024
Publicatiedatum
27 augustus 2024
Zaaknummer
11241384 OV VERZ 24-3498 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van den Boom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:144 lid 3 BWArt. 4:159 lid 2 BWArt. 4:159 lid 3 BWArt. 6:258 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke vaststelling loon professionele executeur bij indeplaatsstelling

In deze zaak gaat het om een verzoek tot vaststelling van het loon van een executeur in een nalatenschap. De erflaatster heeft in haar testament bepaald dat de benoemde executeur geen loon toekomt, maar gaf de executeur wel de bevoegdheid om zich te laten vervangen door een andere executeur.

De executeur is voornemens een notaris als professionele executeur in haar plaats te stellen en verzoekt de kantonrechter om op grond van onvoorziene omstandigheden een andere beloning vast te stellen. De kantonrechter beoordeelt of de omstandigheden die tot deze indeplaatsstelling leiden als onvoorzien kunnen worden aangemerkt.

De kantonrechter oordeelt dat het verzoek voorwaardelijk kan worden toegewezen: aan de oorspronkelijke executeur komt geen loon toe, maar aan de professionele executeur die in de plaats wordt gesteld wel, conform de Recofa-richtlijnen. Hiermee wordt rekening gehouden met het testament en de bijzondere omstandigheden van de indeplaatsstelling.

Het verzoek wordt dus beperkt toegewezen en het loon wordt vastgesteld voor de professionele executeur die daadwerkelijk werkzaamheden verricht in de nalatenschap.

Uitkomst: Het loon van de professionele executeur die in de plaats wordt gesteld wordt vastgesteld conform de Recofa-richtlijnen, terwijl de oorspronkelijke executeur geen loon ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken
Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 11241384 OV VERZ 24-3498
beschikking van de kantonrechter van 26 augustus 2024
ingediend door:
[executeur],
in de hoedanigheid van executeur,
hierna te noemen: [executeur] ,
in de nalatenschap van:
[erflaatster]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1948,
laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] ,
overleden te [plaats 1] ( Griekenland ) op [datum] 2024,
hierna te noemen: erflaatster.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Ter griffie werd op 31 juli 2024 een verzoekschrift ontvangen inzake de nalatenschap van voornoemde erflaatster. Het verzoek is voorzien van een kopie van de testamenten van erflaatster. Het verzoekschrift is ingediend via het notariskantoor van mr. [notaris] .

2.De feiten

2.1.
Bij testament van 12 mei 2015 heeft erflaatster [executeur] tot executeur benoemd. In het testament is bepaald dat aan de executeur geen loon toekomt en dat op grond van onvoorziene omstandigheden de kantonrechter een andere beloning kan regelen. Erflaatster heeft tevens bepaald dat aan de executeur de bevoegdheid wordt toegekend een of meer andere executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen.
2.2.
[executeur] is voornemens mr. [notaris] , notaris te [plaats 2] , voor haar in de plaats te stellen als executeur in de nalatenschap van erflaatster.

3.Het verzoek

3.1.
[executeur] heeft de kantonrechter – kort samengevat – verzocht om de beloning anders te regelen op grond van het bepaalde in artikel 4:144 lid 3 en Pro artikel 4:159 lid 2 en Pro 3 BW, op grond van onvoorziene omstandigheden.
3.2.
[executeur] legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. [executeur] is thans woonachtig in Frankrijk. De dochter van erflaatster is bij testament uitgesloten. Aan de ouders van [executeur] is een recht van gebruik en bewoning toegekend. Er was geen contact tussen de erfgenamen en erflaatster alsmede [executeur] . De nalatenschap bestaat uit een woning vrij van hypotheek, een positief banksaldo en een nog uit te keren verzekering.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter kan op grond van onvoorziene omstandigheden de beloning voor een executeur verhogen of verlagen, voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. De kantonrechter wijkt dan af van hetgeen in de uiterste wil is bepaald of van de door de wet toegekende beloning. De vraag of er sprake is van onvoorziene omstandigheden wordt beoordeeld met inachtneming van artikel 6:258 BW Pro. Van belang is van welke omstandigheden de erflaatster bij de benoeming van de executeur is uitgegaan en of zij, al dan niet stilzwijgend, met de mogelijkheid van het optreden van onvoorziene omstandigheden rekening heeft gehouden.
4.2.
Vast staat dat erflaatster bij testament heeft bepaald dat de executeur geen loon toekomt. Aannemelijk is dat erflaatster bij het vastleggen van die bepaling er in beginsel vanuit is gegaan dat de door haar benoemde executeur, [executeur] , als executeur zou blijven fungeren, ondanks de mogelijkheid in het testament om een of meer andere executeurs aan zich toe te voegen of in de plaats te stellen.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 4:144 lid 3 BW Pro jo. artikel 4:159 lid 2 en Pro 3 BW, nu [executeur] voornemens is om mr. [notaris] als executeur in haar plaats te stellen. Het verzoek en de gegeven toelichting geven daarvoor voldoende aanleiding. Wel zal het verzoek voorwaardelijk worden toegekend, in die zin dat aan [executeur] als executeur geen loon toekomt, maar slechts aan mr. [notaris] althans aan zijn kantoorgenoten als in de plaats gestelde professionele executeurs.
4.4.
Bij de vaststelling van het loon van de executeur hanteert de kantonrechter in beginsel de “Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseance van betaling”. De kantonrechter ziet geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.

5.De beslissing

De kantonrechter:
bepaalt dat het loon van mr. [notaris] , althans zijn kantoorgenoten, als in de plaats gestelde executeur conform de “Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseance van betaling” wordt vastgesteld.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Boom, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.