Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
(hierna: EU-Handvest)en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
(hierna: EVRM).In dit verband is ook gewezen op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie
(hierna: Hof en/of Hof van Justitie van de EU)en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(hierna: EHRM).Daarnaast zijn door de verdediging onder meer verweren gevoerd omtrent bulkinterceptie, met betrekking tot de (proportionaliteit en subsidiariteit van de) door de rechter-commissaris afgegeven machtigingen en is gewezen op de recente uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 30 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:372) en de richtlijn 2014/41/EU. Verder zijn verweren gevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de inhoud van de chats. In dit verband is onder meer gewezen op de onvolledigheid van de chats waardoor geen mogelijkheid is geweest om de gegevens effectief te toetsen. Tot slot is betoogd dat het Openbaar Ministerie ten onrechte informatie heeft achtergehouden, waaronder het Inzetplan 13Werl, alsmede het feit dat Europol betrokken is.
hierna: Sv), aangaande het verstrekken van in een geautomatiseerd netwerk opgeslagen gegevens, welke machtiging door de rechter-commissaris is verleend. Hiermee is toestemming gegeven voor het maken van een digitale kopie van alle servers die werden afgenomen door SkyECC, met de restrictie dat de verkregen informatie enkel mocht worden gebruikt voor onderzoek naar de technische mogelijkheden voor het tappen en de ontsleuteling. De inhoud van de mogelijk op de servers aan te treffen berichten mocht niet zonder daaraan voorafgaande toestemming van een rechter-commissaris in een strafrechtelijk onderzoek worden gebruikt.
(hierna: MITM-techniek)ontwikkeld, die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk heeft gemaakt. Deze techniek is door de JIT-partners gezamenlijk doorontwikkeld en verfijnd. Deze techniek is op 18 december 2020 aangesloten en geactiveerd, nadat de Franse adviescommissie, die een oordeel moet vellen over apparatuur die inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim, hier een vergunning voor heeft verleend.
onbekende gebruikers) van SkyECC. Dit onderzoek heeft onder meer als doel om aan de hand van de inhoudelijke data de criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van cryptotelefoons van SkyECC in beeld te brengen en te analyseren. In onderzoek 26Argus heeft het Openbaar Ministerie op 14 december 2020 een vordering ingediend bij de rechter-commissaris om een machtiging te verstrekken voor een bevel op grond van artikel 126t Sv. Op 15 december 2020 heeft de rechter-commissaris deze machtiging verleend. Op 5 en 11 februari 2021 heeft het Openbaar Ministerie een nieuwe vordering ingediend bij de rechter-commissaris om een machtiging te verlenen op grond van artikel 126uba Sv, welke machtigingen op 7 en 11 februari 2021 zijn verleend.
(voor SkyECC-account [account 4] ), op 9 oktober 2021
(voor de SkyECC-accounts [account 5] en [account 6] ),op 20 april 2022
(voor SkyECC-account [account 7] ),en op 29 juni 2022
(voor SkyECC-account [account 8] )aanvullende toestemming verleend aan het Openbaar Ministerie om de communicatie in te zien en te gebruiken. De toestemming beperkt zich tot het A- en B-kader van deze accounts. Het A-kader betreft de communicatie van het hoofdsubject met hun contacten. Het B-kader betreft de communicatie van de contacten van kader A-subjecten met anderen. Hierdoor zijn ook de
SkyECC-accounts [account 1] en [account 2]in beeld gekomen. Het SkyECC-account [account 2] heeft bovendien contact met het
SkyECC-account [account 3].
(vgl. ECLI:NL:HR:2023:913).
(vgl. ECLI:NL:HR:2024:192).Ook heeft de Hoge Raad aandacht besteed hoe het één en ander zich verhoudt tot artikel 6 en Pro artikel 8 van Pro het EVRM. De Hoge Raad overweegt hierover als volgt.
‘overall fairness’van die strafzaak waarborgen.
(vgl. Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612).De Hoge Raad heeft in dit arrest bepaald dat het nationaal recht van een lidstaat waar de opsporingsbevoegdheden ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam worden uitgeoefend, leidend is. De enkele omstandigheid dat een team van Nederlandse opsporingsambtenaren en technici bijstand heeft verleend voor een inbeslagneming in Frankrijk, maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders. Immers, deze omstandigheid betekent niet dat sprake is van “
uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied”zoals wordt bedoeld in artikel 5.2.2 Sv, noch dat sprake is van
“stukken, voorwerpen of gegevens die in Nederland zijn vergaard”zoals wordt bedoeld in artikel 5.2.4 Sv.
De hiermee verband houdende verweren van de verdediging kunnen niet slagen en worden verworpen.
“Het EOB moet een horizontale werkingssfeer hebben en moet derhalve van toepassing zijn op alle onderzoeksmaatregelen die tot doel hebben bewijs te vergaren. Voor het opzetten van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsvergaring door een dergelijk team zijn echter specifieke voorschriften vereist die beter apart kunnen worden behandeld. Bestaande instrumenten moeten derhalve op dit soort onderzoeksmaatregelen van toepassing blijven, onverminderd de toepassing van deze richtlijn.”Artikel 3 van Pro de richtlijn omkadert ook het toepassingsgebied van het EOB. In het artikel wordt expliciet een gemeenschappelijk onderzoeksteam, zoals het JIT, en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgezonderd. Dit is ook als zodanig opgenomen in de Nederlandse wet. In artikel 5.4.1 derde lid Sv is bepaald dat een EOB niet van toepassing is op de instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam.
Het oordeel van de rechtbankDe rechtbank gaat niet mee in de stellingname van de verdediging dat de JIT-overeenkomst geen juridische basis vormt voor de overdracht van de SkyECC-data en dat dit door middel van een EOB of rechtshulpverzoek van Nederland aan Frankrijk had moeten plaatsvinden.
Het ontbreken van een dergelijke grondslag heeft er echter niet aan in de weg gestaan dat het Openbaar Ministerie machtigingen heeft gevorderd van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en dat de rechter-commissaris op die vorderingen heeft beslist buiten situaties waarin de wet dit eist. Die bevoegdheid vloeit voort uit het systeem van de wet, waarin de rechter-commissaris krachtens artikel 170 Sv Pro is belast met toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek. In het algemeen wordt hieruit de opdracht afgeleid te waken over de rechtmatigheid en volledigheid van het opsporingsonderzoek.
3.8 Betrouwbaarheid inhoud chatgesprekken in onderzoek Mauvilla/RoerdompDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien de wijze waarop de dataoverdracht heeft plaatsgevonden, de juistheid van de zich in het dossier bevindende chatberichten niet geverifieerd en gecontroleerd kon worden. Daartoe is door de verdediging onder meer gewezen op onvolledigheden, inconsistenties en discrepanties in de SkyECC-data.
(hierna: NFI) onderzochte en gevalideerde Toolboxmethode. Uit het zich in het dossier bevindende NFI-rapport daaromtrent volgt dat dit een betrouwbare en geloofwaardige decoderingsmethode betreft. Uit het onderzoek van het NFI blijkt tevens dat de Toolbox-gegevens een correcte weergave van de chatberichten en metadata zijn. Daar waar Toolbox-gegevens niet volledig zijn, is dat verklaarbaar. Niet alle berichten zijn bijvoorbeeld succesvol ontcijferd. De in het dossier op ambtseed opgenomen chatberichten betreffen derhalve de ‘output’ van die methode. In die zin zijn de verkregen ruwe data uit Frankrijk vervolgens verwerkt in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal.
Gelet op het voorgaande zijn de inconsistenties, waarop de verdediging heeft gewezen, van onvoldoende gewicht om de conclusie te rechtvaardigen dat de methode van ontsleutelen niet betrouwbaar is. Dit geldt ook voor zover de verdediging heeft betoogd dat de Excelbestanden van de chatgesprekken zoals opgenomen in de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, geen betrouwbare weergave vormen van de oorspronkelijke berichten. Niet is gebleken dat in het onderhavige onderzoek sprake is geweest van het bewerken van de oorspronkelijke informatie. Het enkele feit dat in theorie de mogelijkheid bestaat om data te bewerken in de zin van een aanpassing van de tekst in een Excelbestand, maakt dit niet anders.
(vgl. Yüksel Yalçinkaya/Turkije, EHRM 26 september 2023, nr. 15669).De rechtbank overweegt dat de onderhavige zaak verschilt met de zaak Yalçinkaya nu de verdediging, anders dan in de zaak Yalçinkaya het geval was, de beschikking heeft gekregen over de chats van de accounts die aan verdachte en aan de medeverdachten zijn toegeschreven, op grond waarvan eventuele verweren over onder andere de authenticiteit en de integriteit van het bewijs kunnen worden gevoerd. In zoverre maakt dit arrest het oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid niet anders.
3.9 Equality of armsDoor de verdediging is betoogd dat het beginsel van ‘equality of arms’ is geschonden. Allereerst dient in dit verband te worden opgemerkt dat de verdediging in beginsel op grond van de in artikel 6 van Pro het EVRM gegarandeerde waarborgen het recht heeft toegang te verkrijgen tot al het materiaal dat zowel ten nadele als ten gunste van de verdachte kan worden gebruikt. Het recht op toegang tot en inzage in methoden en resultaten van onderzoek betreft echter geen absoluut recht. Dat recht dient ook niet verward te worden met een recht op toegang tot al het materiaal waarover het Openbaar Ministerie beschikt. Van de verdediging mag worden verwacht dat zij gemotiveerd duidelijk maakt naar welke gegevens zij op zoek is. Met andere woorden: het zo mogelijk voorkomen van ‘fishing expeditions’ vormt onder omstandigheden een nadere beperking op dit recht op toegang.
4.De beoordeling van het bewijs
zijnzwager en moeder langs zijn gegaan. Ook dit heeft daadwerkelijk plaatsgevonden; er zijn blijkens het dossier personen bij de zwager en moeder van [medeverdachte 1] langs gegaan en hebben daar naar hem gevraagd. Tot slot wordt in de chats gesproken over het beschieten van de woning van [slachtoffer 2] . Het account [account 4] wil checken of zijn kind er niet is, omdat hij het niet wil “troumeren”. Uiteindelijk is de woning beschoten, terwijl daar ook de dochter van [medeverdachte 1] aanwezig was. Behoudens deze verankeringen straalde het account in de nachtelijke uren het meest frequent aan op een mast in de buurt van de woning van [medeverdachte 1] . Dit geldt ook voor het account [account 8] , dat de rechtbank beschouwt als het opvolgende account, gezien de opeenvolgende gebruiksperiodes van de accounts en het gegeven dat in de chats van de accounts over dezelfde onderwerpen werd gesproken. Daarnaast had de gebruiker van beide accounts de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’of “ [bijnaam 2] ”, wat erop duidt dat de accounts door een en dezelfde persoon werden gebruikt. Ook is de gebruiker van Sky-ID [account 8] op [datum 1] 2020 gefeliciteerd omdat hij vader is geworden. Dit is vlak na [datum 2] 2020, toen [medeverdachte 1] opnieuw vader is geworden. Gelet op voornoemde omstandigheden, in samenhang bezien, bestaat er bij de rechtbank geen twijfel dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van de aan hem toegeschreven accounts.
“Die [slachtoffer 2] ze huis is net kapot geknald”. De reden van de beschieting volgt net zo duidelijk uit berichten die [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 20 mei 2020 in een opvolgende groepschat genaamd ‘ [chatgroep 3] ’ verstuurden. Het huis van die ‘tering hollander’ is geschoten als reactie. Dit sluit aan bij de eerdere chats in ‘ [chatgroep 2] ’ waar is gesproken over het bezoek van onder andere [slachtoffer 2] aan de zwager en moeder van [medeverdachte 1] . Ook wordt gezegd dat die Hollander aan de beurt gaat komen en dat een ‘goeie message met vuur salvo alleen dat gaat men dimmen’. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe dit incident juridisch moet worden gekwalificeerd.
de rechtbank begrijpt: granaten). De rechtbank heeft bij de beoordeling mede om die reden de inhoud van de berichten beoordeeld in het licht van de andere stukken in het dossier omtrent hetgeen zich op 4 juni 2020 heeft voorgedaan. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
messagewel heeft begrepen en dat hij zijn lesje wel heeft gehad. Ook wordt er gezegd dat [slachtoffer 1] sowieso denkt dat het een ‘hit’ was en dat ze dat er ook van gaan maken zodat ze een hogere boete op kunnen leggen. Het feit dat [medeverdachte 2] tegenover [slachtoffer 1] wilde doen alsof het een hit was, duidt erop dat dit het niet was. Ook volgt uit de chats niet dat er enige teleurstelling of onvrede was over de uitkomst van de schietpartij, iets wat wel valt te verwachten als de uitvoering of het resultaat niet conform de opdracht was geweest. In de chats is ook te zien dat dit bij andere incidenten wel het geval was.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
De (proces)houding van de verdachten ten opzichte van de slachtoffersDe verdachten, die zich onbespied hebben gewaand, spreken in de berichten gemakzuchtig over het leed dat zij andere mensen willen aandoen. Het gevolg van hun gedragingen voor de slachtoffers lijkt hen totaal niets uit te maken. Het beoogde doel -de slachtoffers een lesje leren- is kennelijk het enige wat telt. Namens de benadeelde partijen zijn ter zitting slachtofferverklaringen voorgehouden en/of vorderingen tot schadevergoeding toegelicht, waarmee vaak zeer treffend onder woorden is gebracht wat deze feiten voor de slachtoffers hebben betekend en nog betekenen. De verdachten hebben hiervoor geen verantwoordelijkheid genomen. Zij hebben volhard in een ontkenning of bleven zich beroepen op het zwijgrecht. Geen enkele verdachte heeft volledige openheid van zaken willen geven en daarmee het achterste van zijn tong laten zien. Daarmee tonen zij zich in de ogen van de rechtbank onverschillig tegenover hun daden en slachtoffers. Dit neemt de rechtbank ook deze verdachte zeer kwalijk.
7.De benadeelde partijen
7.4 De benadeelde partij [slachtoffer 4]
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een gevangenisstraf van vier (4) jaren;