De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 29 augustus 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het veroorzaken van een ontploffing bij de woning van benadeelde 1 en het vernielen van een ruit van benadeelde 2.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om verdachte te verbinden aan de ontploffing. Hoewel meerdere getuigen verdachte aanwijzen, zijn deze verklaringen indirect en mogelijk gekleurd door persoonlijke motieven. Ook ontbrak technisch onderzoek en was het bewijs niet overtuigend genoeg om buiten redelijke twijfel schuld vast te stellen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van dit feit.
Voor het vernielen van de ruit achtte de rechtbank het bewijs wel wettig en overtuigend. Gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat het vernielen plaatsvond bij de woning van de ouders van verdachte en daarmee als huiselijk geweld werd aangemerkt, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op met een proeftijd van twee jaar. Een contactverbod werd niet opgelegd. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, die bij de burgerlijke rechter moet worden aangebracht.