ECLI:NL:RBZWB:2024:6074

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 augustus 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
02-062220-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen handel in harddrugs met versnijdingsmiddelen

Op 1 maart 2023 werd verdachte samen met een medeverdachte aangehouden op de A16 bij Zevenbergschen Hoek met in hun auto ruim 151 kilo van een mengsel van coffeïne en paracetamol, gebruikt als versnijdingsmiddelen voor heroïne. Verdachte verklaarde dat hij tassen in Rotterdam had opgehaald op opdracht van een onbekende en dat hij niet wist wat hij vervoerde, maar de rechtbank concludeerde dat verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat het ging om stoffen bestemd voor het versnijden van heroïne.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken van heroïne. Verdachte werd vrijgesproken van wat meer of anders was ten laste gelegd. De strafbaarheid werd niet betwist en er waren geen strafuitsluitingsgronden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met het blanco strafblad van verdachte en de grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen. De tijd van voorarrest werd in mindering gebracht. De straf moet volledig binnen de penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, tenzij verdachte in aanmerking komt voor een penitentiair programma.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/062220-23
vonnis van de meervoudige kamer van 29 augustus 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ( [land 1] ),
wonende te [woonadres] ( [land 2] ).

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 augustus 2024. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. I. Klein, heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het bewerken van heroïne door
151.460 gram versnijdingsmiddelen (coffeïne en paracetamol) voorhanden te hebben.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij baseert zich daarbij op het aantreffen van het mengsel in tassen bij verdachte in de auto, het rapport van het NFI en de verklaring van verdachte.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
4.2.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.2.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vast staat dat verdachte op 1 maart 2023 samen met de [medeverdachte] werd aangehouden op de A16 bij Zevenbergschen Hoek. Verdachte en [medeverdachte] reden in een auto met Frans kenteken. In die auto werden op de achterbank zeven bigshoppers en één kleine boodschappentas met daarin in totaal 151,46 kilogram van een mengsel van coffeïne en paracetamol aangetroffen. Een dergelijk mengsel van paracetamol en coffeïne is volgens het NFI een gebruikelijk versnijdingsmiddel voor heroïne.
De vraag is of verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de tassen die hij samen met [medeverdachte] vervoerde stoffen bevatten die gebruikt zouden worden als versnijdingsmiddelen en dat hij opzet had op het voorhanden hebben van die stoffen en het voorbereiden van het versnijden van heroïne.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij van een onbekend gebleven persoon de opdracht kreeg om tassen op te halen in Rotterdam. Via de app Signal, die verdachte op de telefoon van [medeverdachte] had geïnstalleerd, ontving hij het adres. Op het adres in Rotterdam heeft verdachte de tassen samen met een voor hem onbekende man in de auto gezet. De tassen stonden in de auto open en te zien was dat er donkergrijze vuilniszakken en doorzichtig plastic zaken met daarin bruinkleurig poeder in zaten. Verdachte heeft verder verklaard dat zijn opdrachtgever hem had verteld dat hij discreet moest zijn en dat hij 800 euro voor het vervoeren zou krijgen. Verdachte wist niet wat hij vervoerde. Hem is verteld dat het niet om drugs zou gaan.
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat het poeder dat hij samen met [medeverdachte] vervoerde bestemd was voor het versnijden van drugs zoals heroïne en dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn handelen het bewerken van harddrugs zoals heroïne voorbereidde.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken van heroïne.
4.3
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 1 maart 2023 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden, te weten
- het opzettelijk bewerken van heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door 151.460 gram versnijdingsmiddelen (te weten coffeïne en paracetamol) in Nederland op te halen en in een auto te vervoeren en naar een bestemming in het buitenland uit te voeren.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.
6.2
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Hij heeft een grote hoeveelheid (ruim 151 kilo) van een mengsel van paracetamol en coffeïne, dat gebruikt wordt voor het versnijden van heroïne, vervoerd naar het buitenland. Het gebruik van heroïne is schadelijk voor de volksgezondheid en zorgt, ook door de daarmee gepaard gaande criminaliteit, voor veel overlast in de maatschappij. Verdachte heeft met het vervoeren van het mengsel van paracetamol en coffeïne naar het buitenland een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van de handel in heroïne.
Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met feit dat hij nog niet eerder in Nederland met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder houdt de rechtbank rekening met straffen die normaliter voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Gelet op de grote hoeveelheid heroïne die met dit mengsel had kunnen worden versneden, komt in beginsel geen andere straf in aanmerking dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, gelet op het blanco strafblad van verdachte, acht de rechtbank het passend een deel van deze straf in voorwaardelijke zin op te leggen, als stok achter de deur om hem ervan te weerhouden zich opnieuw aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, passend is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden stoffen voorhanden hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. Hartman, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. M. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 augustus 2024.
Bijlage I
De tenlastelegging
Hij op of omstreeks 1 maart 2023 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk,
althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor
te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s),
wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het
plegen van dat feit, door 151.460 gram versnijdingsmiddelen (te weten coffeïne en paracetamol) in Nederland op te halen en/of in een auto te vervoeren en/of naar een
locatie/bestemming in het buitenland te weten België en/of Frankrijk uit te voeren
en/of te brengen.