ECLI:NL:RBZWB:2024:6084
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingrentebeschikking bij voorlopige aanslag erfbelasting 2022
Belanghebbende is enige erfgenaam van een erflater die in 2022 is overleden. De inspecteur legde een voorlopige aanslag erfbelasting op met daarbij €7.406 aan belastingrente. Belanghebbende stelde dat het verzoek om voorlopige aanslag tijdig was ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat dit verzoek pas na de wettelijke termijn van acht maanden na overlijden was ontvangen.
De rechtbank baseert zich op artikel 30g lid 4 AWR, waarin is bepaald dat geen belastingrente wordt geheven indien het verzoek om voorlopige aanslag binnen de termijn van acht maanden na overlijden is ontvangen. De termijn eindigde op 3 oktober 2022, terwijl het verzoek pas op 2 november 2022 door de inspecteur werd ontvangen.
Belanghebbende voerde aan dat het verzoek enkele dagen voor de uiterste termijn van 31 oktober was verzonden, maar dit uitgangspunt werd verworpen omdat de wettelijke termijn al op 3 oktober eindigde. De inspecteur handelde niet onzorgvuldig door belastingrente in rekening te brengen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, laat de belastingrentebeschikking in stand en wijst het verzoek tot terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrentebeschikking wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.