Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over 2019. De kern van het geschil betreft de waarde in het economische verkeer (WEV) van een perceel grond dat belanghebbende in 2019 aan zijn dochter heeft verkocht.
Belanghebbende stelde dat de WEV gelijk was aan de waarde bij agrarische bestemming (WEVAB) en beriep zich op de landbouwvrijstelling. De inspecteur stelde een hogere WEV vast, gebaseerd op een taxatie die rekening hield met een goedgekeurd principeverzoek voor woningbouw, en legde een hogere belastingaanslag op.
De rechtbank oordeelde dat de WEV hoger was dan de WEVAB vanwege het principeverzoek, maar dat de inspecteur de hogere waarde niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank stelde de WEV vast op een tussenliggende waarde van €49.520. Dit leidde tot een vermindering van de aanslagen en belastingrente. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.