De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 september 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het beschadigen van een auto, vernielen van een hek, poging tot zware mishandeling van een politieagent, en bedreiging van een andere politieagent.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de auto en het hek beschadigde en vernielde. Verdachte werd vrijgesproken van poging tot zware mishandeling van de politieagent, omdat de intentie tot bedreiging en niet tot lichamelijk letsel werd vastgesteld. De bedreiging van de andere politieagent werd eveneens niet bewezen verklaard.
Op grond van een psychiatrisch rapport werd vastgesteld dat verdachte ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was door een bipolaire-I-stoornis. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Wel werd een zorgmachtiging verleend. De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontslag van rechtsvervolging een schadevergoedingsmaatregel kon worden opgelegd aan de benadeelde politieagent, die een immateriële schadevergoeding van €580,- toegewezen kreeg.
De benadeelde partij die werd bedreigd waarvoor verdachte werd vrijgesproken, werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. De rechtbank legde tevens de kostenveroordelingen en de mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling van de schadevergoedingsmaatregel vast.