Op 26 september 2023 heeft verdachte in Breda het slachtoffer mishandeld door hem een klap in het gezicht te geven, waardoor het slachtoffer viel en ernstig hersenletsel en een kaakbreuk opliep. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat het letsel kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.
Verdachte verscheen niet op de zitting, maar zijn raadsman wel. De verdediging stelde dat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden gekwalificeerd, maar de rechtbank verwierp dit standpunt op basis van medische stukken en revalidatiegegevens. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee maanden op, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank kende €1.915 aan materiële schade en €3.000 aan immateriële schade toe, maar verklaarde het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De schadevergoedingsmaatregel wordt via het CJIB geïnd met gijzeling als dwangmiddel.
De rechtbank oordeelde dat een taakstraf onvoldoende was gezien de ernst van het letsel, de omstandigheden waaronder het feit plaatsvond en het ontbreken van medewerking van verdachte. De straf is passend en geboden geacht om herhaling te voorkomen.