ECLI:NL:RBZWB:2024:6202
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op integrale kostenvergoeding bezwaarfase erfbelasting wegens onvoldoende aannemelijkheid
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting na het overlijden van zijn vader, waarbij hij stelde recht te hebben op een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 27.378. De inspecteur kende een forfaitaire kostenvergoeding toe, maar betwistte de hoogte en het recht op een integrale vergoeding.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende de gestelde kosten niet aannemelijk had gemaakt en dat de inspecteur niet in vergaande mate onzorgvuldig had gehandeld. Ook werd vastgesteld dat de inspecteur niet verplicht was om stukken over de partner van vader en de zus van belanghebbende te overleggen, hoewel het niet overleggen van stukken over de zus een schending van artikel 8:42 Awb Pro vormde, zonder gevolgen voor het materiële geschil.
De rechtbank concludeerde dat de forfaitaire kostenvergoeding terecht was vastgesteld en wees het beroep af. Wel werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende vanwege de schending van artikel 8:42 Awb Pro.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de toegekende forfaitaire kostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.