Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007-2009, 2015-2018 en de aanslag 2019, inclusief opgelegde vergrijpboetes. De kern van het geschil betrof of sprake was van een winstuitdeling door de BV aan belanghebbende in 2007 en 2008, en of het saldo van een Luxemburgse bankrekening terecht in box 3 was belast.
De rechtbank concludeerde dat de opbrengsten van de BV via een Luxemburgse bankrekening direct aan belanghebbende waren uitgekeerd, waarmee sprake was van een vermogensverschuiving en dus een winstuitdeling. Belanghebbende was zich hiervan bewust. De navorderingsaanslagen en de heffing in box 3 zijn daarom terecht vastgesteld.
Verder stelde belanghebbende dat het werkelijk rendement in 2019 lager was dan het belast voordeel, maar de rechtbank vond dat niet aannemelijk gemaakt. De opgelegde vergrijpboetes wegens opzet zijn terecht, maar deels gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.