Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007-2009, 2015-2019, en tegen de daarbij opgelegde vergrijpboetes. De inspecteur had inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3) toegerekend op basis van een Luxemburgse bankrekening die door de echtgenoot van belanghebbende werd aangehouden.
De rechtbank oordeelde dat de toerekening van de helft van de winstuitdeling en het saldo van de Luxemburgse bankrekening aan belanghebbende terecht was, conform artikel 2.17 Wet IB 2001. Belanghebbende had het lagere werkelijk rendement in 2019 niet aannemelijk gemaakt, waardoor de aanslag niet werd verminderd.
Ten aanzien van de vergrijpboetes stelde de inspecteur dat belanghebbende grove schuld had omdat zij redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van het niet aangegeven vermogen. De rechtbank vond echter dat de inspecteur onvoldoende bewijs leverde dat belanghebbende hiervan op de hoogte was, mede omdat de bankrekening uitsluitend op naam van haar echtgenoot stond en belanghebbende zich niet met de administratie bezighield.
Daarom vernietigde de rechtbank de vergrijpboetes en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De overige beroepen werden ongegrond verklaard. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden aangevochten door hoger beroep.