Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser sloot met de vennootschap [bedrijf] UG een detacheringsovereenkomst voor het inlenen van personeel, met een opzegtermijn van twee maanden. Na voortijdige beëindiging stuurde eiser een factuur van € 21.960,00 die onbetaald bleef. Eiser stelde de bestuurders en vertegenwoordiger van [bedrijf] persoonlijk aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen en ernstig verwijt.
De bestuurders voerden verweer dat zij geen ernstig verwijt trof en dat zij niet persoonlijk aansprakelijk konden worden gehouden. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing was. De rechtbank stelde vast dat het enkelwandige schip waarop het personeel werd ingezet in 2018 nog mocht varen, waardoor het verwijt van eiser niet opging.
Verder ontbrak het aan voldoende onderbouwing voor misbruik van recht of onbehoorlijk bestuur. Ook was de vertegenwoordiger bevoegd te tekenen. De rechtbank concludeerde dat geen sprake was van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders of vertegenwoordiger en wees de vordering af. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders af en veroordeelt eiser in de proceskosten.