De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 september 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die wordt verdacht van meermalige verduistering van aceton bij zijn toenmalige werkgever. De feiten betreffen de periode van 1 maart 2022 tot en met 23 januari 2023, waarin verdachte aceton uit verfblikken heeft meegenomen en verkocht voor eigen financieel gewin.
De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verdediging erkende de feiten, maar betwistte de exacte periode van verduistering. De rechtbank stelde vast dat verdachte planmatig en gewiekst te werk is gegaan, waarbij hij het vertrouwen van zijn werkgever ernstig heeft geschonden.
De strafoplegging houdt rekening met het financieel nadeel van de werkgever, de duur van het strafbare handelen en het reclasseringsadvies. Hoewel verdachte bekent heeft, oordeelt de rechtbank dat zijn bekentenis pas kwam nadat het handelen aan het licht was gekomen en dat hij zijn spijt beperkt heeft betuigd. Daarom is een taakstraf alleen onvoldoende. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 34 dagen op, waarvan 30 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uren, met vervangende hechtenis bij niet-naleving.