ECLI:NL:RBZWB:2024:6218

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 september 2024
Publicatiedatum
6 september 2024
Zaaknummer
24/6412
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:3 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake procesafspraken bezwaarschrift omgevingsvergunning

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning die op 3 januari 2024 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen is verleend voor de bouw van een hotel en het aanleggen van een inrit op een locatie in Dongen.

Op 4 september 2024 verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die het college opdraagt om de verhinderdata van partijen op te vragen en de mondelinge behandeling van alle bezwaren op één tijdstip te plannen. Tevens wilde verzoeker dat een adviescommissie van drie personen benoemd zou worden en dat een dwangsom van €10.000,- zou worden verbonden aan het niet nakomen van deze opdracht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat het verzoek niet gericht is op het voorkomen van een onomkeerbare situatie met betrekking tot het bestreden besluit, maar op procesmatige aangelegenheden. Daarnaast is niet gebleken dat de procesbeslissingen het belang van verzoeker rechtstreeks raken. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en werd het zonder zitting afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6412

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft bij brief van 15 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 januari 2023 waarmee het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van een hotel en het aanleggen van een inrit op de locatie [adres] te [plaats] .
1.1.
Op 4 september 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter – samengevat – verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die het volgende inhoudt:
  • het college op te dragen verhinderdata van partijen op te vragen zodat de mondelinge behandeling van alle bezwaren op één tijdstip kan plaatsvinden;
  • te bepalen dat drie door de voorzieningenrechter te benoemen personen de adviescommissie bezwaarschriften vormen, althans dat één van deze te benoemen personen als voorzitter van de adviescommissie zal optreden;
  • een dwangsom van € 10.000,- ineens te verbinden aan het niet nakomen van de opdracht om op basis van verhinderdata één mondelinge behandeling te plannen.
1.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed". Daarbij speelt onomkeerbaarheid – in relatie tot het bestreden besluit – een belangrijke rol. Het door verzoeker overgelegde bestreden besluit is de door het college op 3 januari 2024 verleende omgevingsvergunning. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter niet om schorsing van dit besluit om een onomkeerbare situatie te voorkomen, maar om in te grijpen in processuele beslissingen van het college, dan wel de commissie voor de bezwaarschriften, die zien op de behandeling van verzoekers bezwaarschrift.
Daarover overweegt de voorzieningenrechter dat uit artikel 6:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een beslissing inzake de voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Dat van deze uitzondering sprake is of kan zijn, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat één van de andere belanghebbenden bij de bestreden omgevingsvergunning op de al geplande hoorzitting niet aanwezig zou kunnen zijn, treft verzoeker niet rechtstreeks in zijn eigen belang.. Eventuele procedurele of inhoudelijke bezwaren kunnen na het te nemen besluit op bezwaar ook door eiser in beroep naar voren worden gebracht.
3. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 6 september 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.