ECLI:NL:RBZWB:2024:6225

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
6 september 2024
Zaaknummer
10815873 CV EXPL 23-3148 (T)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:168 BWArt. 138 lid 2 RvArt. 69 RvArt. 71 RvArt. 93 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Splitsing procedure en verwijzing handelszaken in civiele zaak over beheersregeling percelen

In deze civiele zaak voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant vordert eiser in conventie nakoming van afspraken over het genot, gebruik en beheer van twee percelen. De vorderingen in conventie zijn gebaseerd op artikel 3:168 BW Pro en dienen via verzoekschriftprocedure te worden behandeld, terwijl de reconventionele vorderingen dagvaardingsprocedures zijn.

De kantonrechter besluit de procedure te splitsen conform artikel 138 lid 2 Rv Pro, waarbij de conventie wordt voortgezet als verzoekschriftprocedure en de reconventie als dagvaardingsprocedure. De reconventionele vorderingen worden verwezen naar Cluster II Handelszaken omdat de kantonrechter niet bevoegd is deze te behandelen gezien de vermoedelijke waarde boven € 25.000.

De vordering tot verwijzing van de zaak in het incident naar Cluster II Handelszaken wordt afgewezen. Partijen worden gewezen op de noodzaak van rechtsbijstand bij de handelszaken en op de verschuldigde griffierechten. De kosten van de procedure worden aan de zijde van eiser begroot op € 82 en veroordeeld. Het vonnis is gewezen door rechter Swaanen en op 10 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot verwijzing van het incident naar handelszaken wordt afgewezen en de procedure wordt gesplitst met verwijzing van de reconventionele vorderingen naar Cluster II Handelszaken.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10815873 CV EXPL 23-3148
Vonnis van 10 juli 2024
in de zaak van
[naam 1],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [naam 1] ,
gemachtigde: mr. R. Zwamborn,
tegen

1.[naam 2] ,

2.
[naam 3],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [naam 2 & 3] ,
gemachtigde: mr. J.J.R. Albicher.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 april 2024 met de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlaten van [naam 1] ;
- de akte uitlaten van [naam 2 & 3] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie
2.1.
Bij tussenvonnis van 17 april 2024 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie conform artikel 138 lid 2 Rv Pro te splitsen en de procedure in conventie voort te zetten als verzoekschriftprocedure en de procedure in reconventie als afzonderlijke dagvaardingsprocedure. Verder is partijen gevraagd zich uit te laten over het voorshandse oordeel van de kantonrechter om de vorderingen in reconventie te verwijzen naar Cluster II Handelszaken. Beide partijen zijn hiertoe overgegaan.
2.2.
[naam 2 & 3] stemt in met het voornemen om de zaken in conventie en in reconventie te splitsen en de procedure in conventie voort te zetten als verzoekschriftprocedure en de procedure in reconventie als dagvaardingsprocedure. Voorts kan [naam 2 & 3] zich vinden in het voorshandse oordeel om de zaak in reconventie te verwijzen naar Cluster II Handelszaken.
2.3.
[naam 1] zou ermee in kunnen stemmen dat de vorderingen in conventie en in reconventie tegelijk worden behandeld door de kantonrechter maar de wederpartij lijkt hiermee niet akkoord. [naam 1] refereert zich dan ook aan het oordeel van de kantonrechter.
2.4.
De vorderingen in conventie zijn gebaseerd op artikel 3:168 BW Pro. Uit dit artikel volgt dat een procedure die hiermee verband houdt, behoort te worden ingeleid met een verzoekschrift. In reconventie is wél sprake van vorderingen die bij dagvaarding moeten worden ingesteld. De kantonrechter zal de zaak dan ook splitsen op grond van
artikel 138 lid 2 Rv Pro. Uit dit artikel volgt dat splitsing noodzakelijk is indien de kantonrechter oordeelt dat in conventie of in reconventie de verzoekschriftprocedure moet worden gevolgd.
2.5.
Vervolgens zal de kantonrechter op grond van artikel 69 Rv Pro bevelen dat de procedure in conventie wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, een en ander zoals in de beslissing vermeld.
2.6.
De vorderingen in reconventie worden door de kantonrechter op grond van artikel 71 Rv Pro in de stand waarin deze zich bevinden verwezen naar Cluster II Handelszaken van deze rechtbank. De kantonrechter is van oordeel dat deze vorderingen op zichzelf vorderingen van onbepaalde waarde zijn waarvan onvoldoende is gebleken van aanwijzingen dat deze geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00. Dit betekent dat de kantonrechter op grond van artikel 93 aanhef Pro en sub b Rv niet bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen.
2.7.
Partijen dienen zich in de kamer van handelszaken te laten vertegenwoordigen door een advocaat. De kantonrechter wijst partijen er voorts op dat bij Cluster II Handelszaken een hoger griffierecht in rekening gebracht kan worden. De geldende tarieven zijn te vinden op www.rechtspraak.nl. Aan partijen zullen na verwijzing de bedragen als hierna vermeld in rekening worden gebracht.
2.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in het incident
2.9.
Uit artikel 93 aanhef Pro en sub d Rv volgt dat vorderingen door de kantonrechter worden behandeld en beslist, waarvan de wet dit bepaalt.
2.10.
[naam 1] vordert in conventie nakoming van afspraken die tussen partijen zouden zijn gemaakt ten aanzien van het genot, het gebruik en het beheer van de percelen kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] . Indien komt vast te staan dat tussen partijen geen beheersregeling is overeengekomen, meent [naam 1] dat uit haar vorderingen kan worden afgeleid dat de kantonrechter wordt verzocht een dergelijke regeling vast te stellen.
Zoals in rechtsoverweging 2.4. al is overwogen, zijn deze vorderingen gegrond op artikel 3:168 BW Pro. Uit dit artikel volgt dat verzoeken met betrekking tot het treffen van, het wijzigen of buiten werking stellen van en het uitleggen van een beheersregeling tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren. Gelet hierop is de kantonrechter op grond van artikel 93 sub d Rv Pro bevoegd van deze vorderingen kennis te nemen.
2.11.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering in het incident tot verwijzing van de zaak naar Cluster II Handelszaken wordt afgewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
3.1.
beveelt dat de procedure in conventie in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;
3.2.
stelt [naam 1] in de gelegenheid haar stellingen zo nodig aan te passen op de voor de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels;
3.3.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in reconventie kennis te nemen;
3.4.
verwijst de reconventionele vorderingen zoals vermeld onder 2.6. in de stand waarin deze zich bevinden naar de rolzitting van Cluster II Handelszaken van deze rechtbank van
woensdag 24 juli 2024om
10.00 uur, waarna partijen kunnen voortprocederen;
3.5.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure bij Cluster II Handelszaken niet in persoon kunnen procederen, maar dat zij hiervoor een advocaat nodig hebben;
3.6.
wijst [naam 1] erop dat zij na de verwijzing griffierecht verschuldigd is van € 320,00 en dat dat bedrag binnen 4 weken na de hiervoor genoemde roldatum moet zijn betaald, waarvoor [naam 1] een nota met betaalinstructies van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) zal ontvangen
;
3.7.
wijst [naam 2 & 3] erop dat hij na de verwijzing griffierecht verschuldigd is van € 320,00 en dat dat bedrag binnen 4 weken na de hiervoor genoemde roldatum moet zijn betaald, waarvoor [naam 2 & 3] een nota met betaalinstructies van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) zal ontvangen
;
3.8.
draagt de griffier op de processtukken en een afschrift van dit vonnis tijdig voor genoemde rolzitting te doen toekomen aan de griffier van Cluster II Handelszaken van deze rechtbank;
3.9.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in het incident
3.10.
wijst de vordering af;
3.11.
veroordeelt [naam 2 & 3] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [naam 1] begroot op € 82,00 aan salaris voor de gemachtigde van [naam 1] ;
3.12.
verklaart de onder 3.11. uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.