Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 30 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser verhuurde een bedrijfsruimte aan gedaagde tegen een maandelijkse huurprijs van €1.111,99. De huurovereenkomst liep van 11 september 2019 tot 30 september 2024. Gedaagde bleef in gebreke met betaling van huur vanaf april 2023, ondanks eerdere veroordeling tot betaling van huurachterstand tot september 2023.
Eiser vorderde ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van de openstaande huur vanaf oktober 2023. Gedaagde verscheen niet op de zitting en reageerde niet schriftelijk, waardoor verstek werd verleend. De kantonrechter oordeelde dat eiser een spoedeisend belang had vanwege de oplopende huurachterstand.
Op basis van de feiten achtte de kantonrechter het zeer waarschijnlijk dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming zouden worden toegewezen. De vordering werd daarom toegewezen met een ontruimingstermijn van 7 dagen na betekening. Gedaagde werd tevens veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de lopende huur, proceskosten en wettelijke rente.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 7 dagen en betaling van de huurachterstand met rente en proceskosten.