Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een huurgeschil tussen een verhuurder en twee huurders over onbetaalde servicekosten. De huurders huren sinds 1 februari 2020 een woonruimte tegen een maandelijkse huurprijs van € 850 exclusief nutsvoorzieningen. Daarnaast werd maandelijks € 25 betaald voor internet en televisie. De huurders betaalden een deel van de factuur van 1 juli 2023, maar lieten een restant van € 606,22 onbetaald. Facturen van december 2023 en mei 2024 zijn volledig onbetaald gebleven.
Tijdens de procedure heeft de verhuurder zijn vordering verminderd en ziet hij af van ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming, rente en incassokosten. De huurders erkennen het openstaande bedrag van € 2.116,61 niet te hebben voldaan. De kantonrechter veroordeelt de huurders hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, wat betekent dat ieder van hen het volledige bedrag kan worden aangesproken. Tevens worden zij hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die begroot zijn op € 1.031,44.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. De beslissing is op 21 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter Karsten-Badal.
Uitkomst: Huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 2.116,61 aan onbetaalde servicekosten en proceskosten van € 1.031,44.